LogoHG

Voorbereidingsdienst Heilig Avondmaal - voorganger: ds. W. Geuze

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broers en zussen,

Wat is daar toch gebeurd dat dat eerste optreden van de Here Jezus in Nazareth zo volledig uit de hand loopt? Wat is daar aan de hand dat de Here Jezus eerst met gejuich wordt binnengehaald, maar even later bijna van de rots wordt gesmeten?

Ik bedoel: ik herinner me nog goed dat ik voor het eerst voorging in Noorden, de plek waar ik zelf ben opgegroeid. M’n eerste preekpak gekocht. Het hele gezin in de auto terug naar de plek die ons door al die jaren zo vertrouwd was geworden.
De kerk bomvol oude bekenden. Wat was ik zenuwachtig! Ik weet nog dat ik naar mijn hand keek toen ik voor het eerst het votum uitsprak. Zag hoe die trilde. En die eerste preek was ook veel te lang en abstract. Je moest het nog helemaal leren.

Maar toch: na afloop waren de mensen heel aardig. Ik weet nog hoe de oude buurman waar ik al die jaren naast gezeten had bij de koffie even bedachtzaam keek maar uiteindelijk toch het verlossende woord sprak: ‘Dat was een mooie preek!’
Zo hoort dat te gaan als je voor de eerste preekt in het dorp waar je opgegroeid bent. Zo hoort dat te gaan. Maar zo ging het dus helemaal niet toen de Here Jezus daar voor de eerste keer voorging in Nazareth. Daar loopt het volledig uit de hand!
We lezen aan het eind in vs. 28: ‘Toen de aanwezigen in de synagoge dit hoorden, ontstaken ze in grote woede. Ze sprongen op en dreven hem de stad uit, naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om hem in de afgrond te storten.’

-

Waarom? Waar gaat het mis? Om dat goed te begrijpen moeten we eerst kijken naar vs. 18-22. Lukas vertelt ons daar hoe de Here Jezus eerst heel gericht een gedeelte in de rol van Jesaja opzoekt die gaat over het werk van de Messias. Daar staat:
18 ‘De Geest van de Heer rust op mij,
want hij heeft mij gezalfd.
Om aan armen het goede nieuws te brengen
heeft hij mij gezonden,
om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken
en aan blinden het herstel van hun zicht,
om onderdrukten hun vrijheid te geven,
19 om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’
Daarna is de Here Jezus gaan zitten. En toen de mensen hem vragend aankeken: ‘Wat is nou je preek? Wat ga je hier over vertellen?’ had de Here Jezus alleen deze ene zin gezegd: ‘Vandaag hebben jullie deze Schrifttekst in vervulling horen gaan!’

Dat was alles. Een preek van één zin. ‘Vandaag hebben jullie deze Schrifttekst in vervulling horen gaan! Datgene waar Jesaja hier over profeteert is nu in vervulling gegaan! Diegene waar Jesaja over profeteert staat hier in levende lijve voor jullie!’
En daarna is het stil. Want u begrijpt, als dat echt waar is wat de Here Jezus hier vertelt, als hier echt de Messias Zelf in levende lijve voor hen staat, ja, wat moeten die mensen in Nazareth dan doen? Hoe moeten ze dan op die preek reageren?
Jesaja profeteert dat die Messias arme mensen die met zichzelf zijn vastgelopen in de vrijheid komt zetten, uitzicht komt geven. Is dat dan de bedoeling? Dat zij zo naar voren komen? Om zich door Jezus te laten zegenen, bevrijden, herstellen?

-

Is dat dan de bedoeling? Dat ze zo naar Jezus toegaan? En aan de ene kant, vertelt Lukas in vs. 22, roepen die woorden van de Here Jezus bijval op. Want inderdaad: ze hadden gehoord hoe Hij in Cana en Capernaüm wonderen had verricht.
Daarover lezen we in het Johannesevangelie. In Cana had Hij water in wijn verandert. In Capernaüm de zoon van een hoofdman genezen. Als een lopend vuurtje was dat rond gegaan. ‘Het nieuws over hem verspreidde zich in de hele streek.’
Aan de ene kant konden ze er dus niet om heen dat er door Jezus bijzondere dingen gebeurden. Maar aan de andere kant: dat nu Hij deze passage uit Jesaja 61 op Zichzelf betrok – over het werk van de Messias – dat ging toch wel heel erg ver!

‘Ze verwonderden zich over de genaderijke woorden die uit zijn mond vloeiden’ schrijft Lukas in vs. 22. Want die passage uit Jesaja gaat over genade: Gods genade die de Messias komt brengen aan mensen die vastzitten door eigen zonde en schuld.
En daar begint op één of andere manier ook de weerstand bij die mensen in Nazareth. Bij de genade. ‘Ze verwonderen zich over de genaderijke woorden die uit zijn mond vloeiden en ze zeiden: ‘Dat is toch de zoon van Jozef? Die kennen we toch?’
Met andere woorden: ‘Jezus, trek je nu niet een te grote broek aan? Geneesheer, genees jezelf! Schoenmaker, hou je bij je leest! Prima dat God je gebruikt om mensen beter te maken. Dat willen wij ook wel eens zien. Maar laat het daar nou bij!’

-

‘Maak jezelf niet tot Messias. Doe niet net of Gods genade via jou naar ons toe moet stromen.’ Ze verwonderden zich over de genaderijke woorden die uit zijn mond vloeiden’. Daar begint de weerstand. Omdat Jezus woorden spreekt van genade.
Want ‘genade’, broers en zussen, is een heel diep woord. Genade is dat er alle reden zou zijn om je links te laten liggen, je aan je lot over te laten, omdat je het er zelf naar gemaakt hebt. En dat God dat toch niet doet. Maar Zich naar je toewendt.
Zich over je ontfermt. Die genade wil de Here Jezus komen brengen. Ook daar aan de mensen in Nazareth, het dorp waar Hij opgegroeid is. En Hij wil die genade vandaag komen brengen. ‘Vandaag horen jullie deze Schrifttekst in vervulling gaan!’

Maar u voelt, dan komt het dus ook heel dichtbij. Dan kun je niet op je stoel blijven zitten. Want ‘genade’ is een heel diep en rijk woord. Maar in dat woord ‘genade’ klinkt ook altijd iets van oordeel. Want ‘genade’ is onverdiende goedheid.
‘Genade’ is niet dat God je een klopje op je schouder komt geven en zegt: ‘Jij bent goed bezig!’ ‘Genade’ is dat God zegt: ‘Er zit nog veel meer scheef in je leven dan je op dit moment beseft, en toch wil Ik jou met mijn liefde aanraken en vervullen.’
En wie zich daaraan stoort, hoort in ‘genade’ dus ook altijd ‘het geheven vingertje’. ‘Kennelijk zit er iets in mijn leven niet goed. Kennelijk heb ik genade nodig.’ En, broers en zussen, wij mensen eten doorgaans liever geen genadebrood. Toch?

-

Wij willen graag onze eigen boontjes doppen. ‘En als er dan iets fout zit in mijn leven, als ik ergens een verkeerde keuze heb gemaakt, dan los ik dat zelf op! Daar heb ik verder niemand voor nodig. En daar ga ik verder ook niemand mee lastig vallen.’
U voelt, dat alles komt naar boven. Juist door die korte preek van de Here Jezus daar in Nazareth. ‘Vandaag hebben jullie deze Schrifttekst in vervulling horen gaan!’ En dan is het stil. Zullen we de mensen nu naar Jezus toe gaan komen of niet?
Geloven ze dat Hij degene is van wie Jesaja profeteerde? De Gezalfde die goed nieuws komt brengen aan mensen die met zichzelf zijn vastgelopen? ‘Heer, open mijn ogen. Geef mij het juiste zicht. Maak mij vrij van datgene waar ik in gevangen zit.’

Dan waren er op dat moment ook wonderen gebeurd in de synagoge daar in Nazareth. Dan waren ook daar mensen bevrijd van boze geesten en genezen van kwalen zoals later in Capernaüm gebeurt. Dan was Gods genade ook in Nazareth geland!
Maar in plaats daarvan ontstaat er een discussie. ‘Dat is toch er toch eentje van Jozef de Timmerman? Die kennen we toch al van jongs af aan? Aardige jongen, heus! Maar wat denk ‘ie wel dat Hij meent ‘woorden van genade’ te kunnen spreken.’
Juist het vertrouwde van Jezus wordt voor hen een obstakel. Er onstaat een discussie. En, broers en zussen, moet u maar eens opletten, zodra er over het geloof gediscusseerd gaat worden, dan is dat meestal om een veilige afstand te creeëren.

-

Want dan gaat het niet meer over ‘ons’ maar dan gaat het over ‘de kerk, de dienst, de dominee, de kerkenraad’ of waar het ook maar over gaat, maar dan gaat het niet meer over ‘ons’. En wat het evangelie ‘ons’ op dit moment te zeggen heeft.
En dat gebeurt hier dus, in die synagoge van Nazareth. Die woorden van genade uit Jesaja die de Here Jezus op zichzelf en op dit moment betrokken heeft - ‘Vandaag horen jullie deze Schrifttekst in vervulling gaan’ - die verwaaien in een discussie.
En ik dacht bij mezelf: ‘Gebeurt dat bij ons eigenlijk ook niet vaak? Dat ‘woorden van genade’ verwaaien in een discussie. En dat we – juist omdat we er van jongs af aan zo mee vertrouwd zijn – het gewicht van wat er gebeurt niet meer beseffen?’

Komende week vieren we het Avondmaal met elkaar. Daar wordt ook altijd veel over gediscusseerd. Moet dat per se op deze manier? Kan het niet anders? Als je een tijdje in de kerkenraad zit, weet je dat die discussie iedere 2 jaar langskomt.
En ik vind het geen onzin om daar over na te denken. Daarom hebben we de afgelopen jaren ook voorzichtig geprobeerd wat in onze manier van Avondmaal vieren te veranderen. Maar ondertussen vraag ik me af: ‘Is dat nu echt het probleem?’
Of is dit ook zo’n moment waarbij we de onmiddelijkheid en het gezag van Jezus’ woorden laten verwaaien in een discussie? Dieper nog: is dit eigenlijk een moment dat bij ons diezelfde weerstand tegen de genade naar boven komt als in Nazareth?

-

Want als we Avondmaal vieren gebeurt er eigenlijk hetzelfde als in die synagoge daar in Nazareth. Doorgaans is er ook een korte preek. Soms zelfs helemaal geen preek. En daarna komt dezelfde oproep: ‘Komt dan, want alle dingen zijn nu gereed!’
‘Nu, vandaag gaat deze Schrifttekst van Jesaja in vervulling. Nu is die beloofde Messias in ons midden. En Hij roept je. En je mag naar voren komen met alles wat je vasthoudt en bezwaart. Hij wil dat van je afnemen door de kracht van Zijn Geest.’
En kom je dan ook? Geloof je dan ook eenvoudigweg zoals de mensen in Nazareth eigenlijk hadden moeten doen? Of laat je die eenvoudige, concrete uitnodiging van de Here Jezus bij het Avondmaal verwaaien in allerlei gedachten en discussies?

Broers en zussen, dat is niet zo vrijblijvend als wij vaak denken. Want dan missen we ook de zegen die de Here Jezus ons wil brengen. Want dat is het volgende punt wat de Here Jezus daar aankaart: ‘Waar geen geloof is, daar komt ook geen zegen!’
Daarom noemt de Here Jezus die voorbeelden van Elia en Elisa. In die tijd waren er ook in Israël heel wat weduwen en melaatsen. Maar kennelijk ging geen van die weduwen en melaatsen naar Elia of Elisa toe om Gods hulp te vragen.
Kennelijk ontbrak daarvoor het geloof. En dan zijn het uiteindelijk buitenstaanders, heidenen die wel die zegen van God ontvangen. Die wel geholpen en genezen worden. Terwijl de mensen in Israël ondertussen met lege handen achterblijven.

-

En als die mensen in Nazareth dat horen, breekt de hel los. ‘Toen de aanwezigen in de synagoge dit hoorden, ontstaken ze in grote woede. Ze sprongen op en dreven hem de stad uit’ – naar een rotsklif – ‘om hem in de afgrond te kunnen storten.’
Die feestelijke, instemmende woorden bij het begin van Jezus’ eerste preek in Nazareth blijken uiteindelijk maar een heel dun laagje vernis over een diepere realiteit van afweer en vijandschap. En die komt nu opeens allemaal naar de oppervlakte.
En u voelt, broers en zussen, daarmee is het toch een heel aangrijpende geschiedenis. Want je vraagt je af: ‘Was het bij ons zoveel anders gegaan? Als wij nou die inwoners van Nazareth waren geweest, hadden wij dan echt anders gereageerd?’

Je kunt zelfs een bepaalde ergernis bij deze geschiedenis voelen: ‘Had de Here Jezus dat nou ook niet een beetje anders aan kunnen pakken? Je kunt toch niet na een preek van één zin zomaar van de mensen verwachten dat ze in jou gaan geloven?’
‘Daar is doorgaans toch veel meer tijd voor nodig? Zelf heb ik na al die jaren ook nog zoveel vragen…’ Maar, broers en zussen, nergens heeft de Here Jezus het ook zo gedaan als in Nazareth. Alleen in Nazareth vraagt Hij zo’n directe reactie.
En dat komt eenvoudigweg hierdoor: heel Zijn leven was Hij bij deze mensen geweest. Van jongs af aan waren ze met Hem opgegroeid. Dagelijks hadden ze Hem leren kennen. Dan is het echt geen moment te vroeg dat Hij nu hun geloof vraagt.

-

Weer even terug naar ons in het hier en het nu. Ligt dat bij ons nou echt anders? Heb je in al die jaren dat je hier nu in de kerk zit dan nooit iets van de Here Jezus opgevangen? Is dat echt de diepste reden dat je nog steeds met twijfels rondloopt?
Of zit het toch dieper? Is het uiteindelijk juist die vertrouwdheid met de Here Jezus, het vanzelfsprekende dat Hij er altijd wel is, waardoor we het gewicht van de dingen niet meer beseffen? Ons niet realiseren dat Hij ook echt ons geloof vraagt?
En dat het ook echt een gebod van onze Heer is om Avondmaal te vieren: ‘Doet dit tot mijn gedachtenis!’ En dat je daar dus tegenin gaat als je slordig met die Avondmaalsviering omgaat. En dat je dan ook ook werkelijk zegen misloopt in je leven.

Is het dat? Of zit het zelfs nog dieper en is het uiteindelijk diezelfde weerstand tegen de genade als in Nazareth die bij ons aan de oppervlakte komt - dat we ten diepste geen genadebrood willen eten – en ons bij het Avondmaal vandaan houdt?
Dat we denken dat niet nodig te hebben? Dat het zo ook wel gaat? Broers en zussen, ik zeg dat vragenderwijs. Niet om u onterecht allerlei ongeloof in de schoenen te schuiven. Maar dit zijn wel de vragen die deze geschiedenis op ons bordje legt.
Als Jezus hier in ons midden was als in Nazareth – want dat is Hij namelijk: nu door Zijn Woord, volgende week in het bijzonder door het Sacrament – gebeurt dan hetzelfde als in Nazareth? De mensen blijven zitten, er onstaat een discussie…

-

Of komen we – zoals de mensen later in Capernaüm doen – komen we met alles wat ons bezwaart, wat ons dwarszit, wat ons tegenhoudt naar deze Messias die gekomen is om arme mensen het goede nieuws van hun vrijlating te brengen?
Komen we als blinde mensen die weer willen zien? Komen we als onderdrukte mensen – letterlijk staat daar eigenlijk: getraumatiseerde mensen – komen we als getraumatiseerde mensen die vrij willen zijn van de last van hun verleden?
Want dan is Hij er ook, broers en zussen, dan is Hij er ook echt! Onze Heer en Heiland die het dan ook tegen ons zegt: ‘De Geest van de Heer rust op Mij. Hij heeft Mij gezalfd om ook aan jou het goede nieuws te brengen! Kom maar naar voren!’

‘Komt tot Mij allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven! Neem mijn juk op je. Dan loop ik naast je en dragen we samen de last van je leven. Leer van Mij want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart en je zult rust vinden voor je ziel.’
‘Ik wijs je niet af als je worstelt met vragen en verdriet. Ik wijs je niet af als je worstelt met zonde en schuld. Ik wijs je niet af als je het - waar dan ook mee - zoekt bij Mij. Want ook voor jou ben Ik gekomen. Ook voor jou heb Ik mijn leven gegeven.
Ook tegen jou wil Ik het komende week zeggen: ‘Vandaag heb je deze Schrifttekst in vervulling horen gaan. Komt dan want alle dingen zijn nu gereed!’ Broers en zussen, laten we volgende week zo naar onze Heer toegaan en Zijn zegen ontvangen.

Amen.