LogoHG

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broers en zussen,

Toen ik een jaar of 5 was, woonden we met het gezin een tijdje in bij mijn grootouders. Daarvoor hadden we zo’n 4 jaar in Kenia gewoond. M’n vader gaf daar les aan een Bijbelschool. Een mooie tijd waar ik ook nog wel wat herinneringen aan heb.
Maar aan het einde van die periode kreeg m’n moeder geelzucht. Als gezin zijn we toen op korte termijn teruggekeerd naar Nederland. En - terwijl m’n vader het werk in Kenia afmaakte - woonden wij als gezin een jaar lang in bij opa en oma.

En ik weet nog dat ik als kind dan ook nogal eens met opa meeging naar de kerk. En nou komt het – ik herinner me dat nog goed - voordat we naar de kerk gingen – opa had z’n jas al aan – dan liep hij nog even langs een voorraadkast in de kamer.
Daar stond een groene kist met allemaal muntgeld erin. En dan deed hij – terwijl hij zijn linkerhand in z’n jaszak hield – met z’n rechterhand een volle greep in die kist. En ongezien liet hij al dat muntgeld in z’n rechter jaszak glijden. Voor de collecte.


Als kind begreep ik nooit zo waarom opa dat nou op die manier deed. Totdat ik een keer dit gedeelte uit Matteüs 6 las: ‘Als je aalmoes geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet…’ Daar had opa dat natuurlijk vandaan!
‘Laat je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet...’ Opa nam dat dus heel letterlijk. Hij sprak verder niet zo heel veel over het geloof. Maar juist in dat soort kleine dingen kon je zien dat hij het wel heel serieus nam. Ernaar probeerde te leven.

En ik vond het dan ook heel mooi dat de predikant bij zijn begrafenis sprak over 2 Tim. 2:19 ‘De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn.’ Dat vond ik eigenlijk heel mooi. Want dat past ook helemaal bij wat de Here Jezus er vervolgens achteraan zegt:
‘Laat je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet. En jullie Vader die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.’ God ziet datgene wat jij in stilte voor Hem gedaan hebt. Ook al viel het niemand anders op. ‘Hij kent degenen die de Zijnen zijn.’

-

Mooi eigenlijk, die kleine dingen waarin ons voorgeslacht ons het leven met God voorgeleefd heeft. Ik hoop dat u ook zulke herinneringen hebt aan vader en moeders, opa’s en oma’s die u op hun manier het leven met God hebben voorgeleefd.
En ik hoop dat wij op onze beurt ook weer van die patronen in ons leven hebben waardoor onze (klein)kinderen later zullen zeggen. ‘Ja, pa of ma, opa of oma, die leefde echt met God. Dat kon je merken want…’ En dat er dan ook zo’n verhaal komt.

Maar nu gaat het er in die woorden van de Here Jezus natuurlijk niet in de eerste plaats om dat we dat zo letterlijk doen als mijn opa deed. ‘Laat uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet’ dat gaat natuurlijk eigenlijk over iets diepers.
Namelijk de vraag: ‘Voor wie doe je het nu eigenlijk? De dingen van het geloof. Geven aan goede doelen. Bidden. De Here Jezus noemt ook het voorbeeld van vasten. Voor wie doe je het nu eigenlijk? Voor God of voor iemand anders?’


Want in de tijd van de Here Jezus waren er ook mensen die daar echt een show van konden maken. Als je aalmoezen gaven ‘bazuinden ze dat rond’ staat er. En da’s mooi vertaald! Want het is niet helemaal duidelijk of dat nou letterlijk bedoeld is.
Dat er – in de tempel bijvoorbeeld – letterlijk op de bazuin geblazen werd en het werd afgekondigd: ‘Deze persoon heeft zo en zo veel gegeven’. Of dat het meer figuurlijk bedoeld is: ze lieten het zelf goed merken dat ze een fors bedrag gaven.

Maar in ieder geval werd er een hele show van gemaakt. ‘Kijk mee eens goed bezig zijn!’ En dat deden ze ook als ze aan het bidden waren. Of aan het vasten. Dan zorgden ze er op allerlei manieren voor dat anderen dat vooral toch maar zagen.
‘Kijk mij eens goed bezig zijn!’ En dan zegt de Here Jezus: ‘Ja, maar als je het daarom doet – de dingen van het geloof – niet voor God maar voor de eer van de mensen – dan zul je daar ook mee moeten doen. Dan heb je je loon al ontvangen.’

-

‘Let daarom op dat jullie je gerechtigheid niet beoefenen voor de ogen van de mensen alleen om door hen gezien te worden’. Kunnen wij dat gevaar ook nog lopen? In onze tijd? Dat heb ik me van de week af zitten vragen.
Vroeger was er geen aktie kerkbalans maar werden op oudejaarsavond de zitplaatsen in de kerk geveild. Wie het hoogste bood, kreeg de mooiste plek. Dan konden heel goddeloze taferelen in de kerk worden. ‘Kijk mij eens. Ik bied nog meer!’

Maar nu krijgen we voor Kerkbalans gelukkig een envelopje wat je dicht doet. Alleen de kerkrentmeesters zien dat. De week van het gebed start vandaag. Maar dan bidden we met z’n allen tegelijk. Niemand kan daar een one-man show van maken.
Straks begint de lijdenstijd weer. Sommigen van ons vasten dan ook wel eens. Geen snoep of geen koffie tot Pasen. Maar ik kan ze er niet uitpikken. Ik zie geen treurige gezichten van mensen die er daar opzettelijk mee te koop lopen.


Zo op het eerste gezicht lijken die voorbeelden dus niet erg actueel. Maar tegelijk – dacht ik - kan het op een diepere manier toch een rol spelen. Dat je de dingen van het geloof niet alleen doet voor God. Maar ook voor een ander en ook voor jezelf.
En ik moet denken aan mensen die bitter afgehaakt zijn van de kerk. ‘Mezelf jaren ingezet. Toen gebeurde er dit of zei diegene dat…. Nou, als het zo moet… ’ Heel vervelend natuurlijk als je zoiets meemaakt. Maar als je daar nou om afhaakt…

Deed je het dan al die tijd wel voor God – je taak in de kerk – of deed je het ook of misschien wel vooral voor de waardering van mensen? Daar moest ik even aan denken. Is dat niet een voorbeeld wat opeens wel dichtbij en herkenbaar is?
Of als mensen hun kerkelijke bijdrage gebruiken als een soort pressiemiddel. In kleine gemeentes speelt dat soms. ‘Als jullie dit gaan doen… dan doe ik financieel niet meer mee!’ Dan geef je blijkbaar toch vooral voor jezelf. En niet zozeer voor God.

-

Voelt u? Datgene wat de Here Jezus hier aan de kaak stelt – in je geloof vooral op jezelf of op anderen gericht zijn – dat kan dus ook in veel subtielere manier doorwerken in ons geloofsleven. En nu zegt de Here Jezus met nadruk: ‘Let daar nou op…!’
‘Let er op dat jullie de gerechtigheid niet beoefenen voor de ogen van mensen alleen om door hen gezien te worden. Want dan beloont jullie Vader in de hemel je niet.’ Dan verspeel je de beloning die God voor je klaar heeft liggen.

Dat laatste is ook opvallend. Dat de Here Jezus hier spreekt over beloning. Wij, protestanten, zijn daar altijd wat huiverig voor. Beloning, beloning? Je kunt de hemel toch niet verdienen? Inderdaad, dat klopt. Je kunt de hemel niet verdienen.
Maar dat wil niet zeggen dat er in die hemel niet een beloning voor je klaar zou kunnen liggen. De Here Jezus spreekt er hier over. En al zegt de Bijbel er verder niet zoveel over, her en der komt die gedachte van een beloning wel aan de oppervlakte.


 ‘Wie zich over de arme ontfermt, leent z’n geld aan de Here: God zal hem zijn weldaad vergelden’ staat er in Spreuken 19:17. Dat geld wat je voor God gegeven hebt, krijg je later – om het zo maar eens te zeggen – met hemelse rente terug.
‘Wie karig zaait, zal ook karig oogsten’ zegt Paulus in 2 Cor. 9:6: ‘en wie mild zaait zal ook mild oogsten.’ Daar komt diezelfde gedachte terug. Dat datgene wat wij uit liefde voor God hebben gedaan of gegeven, dat God dat ooit belonen zal.

En misschien is dit nog wel de grootste beloning. Als God aan het eind van je leven hetzelfde tegen je zegt als die Heer uit de de gelijkenis: ‘Goed gedaan, goede en getrouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je zetten.’
Dat is toch waar we allemaal ten diepste naar verlangen? Om zo te leven dat God zelf aan het einde van ons leven tegen ons zegt: ‘Goed gedaan. Je bent goed om gegaan met wat ik je had toevertrouwd. Welkom op het feest van je Heer!’

-

En hoe komt het nu zover? Dat je steeds meer echt voor God gaat leven bij alles wat je doet? Want zelfs al doe je het niet voor de mensen dan nog kan dat stemmetje van binnen blijven klinken. ‘Kijk mij eens! Dat heb ik toch maar goed gedaan!’
Als je net bijvoorbeeld een fors bedrag hebt overgemaakt naar een goed doel. ‘Kijk mij eens!’ Terwijl de Here Jezus juist zegt dat zelfs je linkerhand niet moet weten wat je rechterhand doet. Je moet je zelf er eigenlijk helemaal niet bewust van zijn.

Zo is het later ook bij het laatste oordeel. Dan zegt de Here Jezus tegen de schapen: ‘Welkom, jullie gezegenden van mijn Vader, beërf het Koninkrijk. Want Ik was hongerig en jullie gaven Mij te eten. Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken.’
En dan zeggen die mensen: ‘Heer, wanneer hebben wij U dan hongerig gezien en te eten gegeven? Wanneer had U dan dorst en gaven wij u te drinken.’ Die mensen waren zich daar dus amper bewust van. Van het goede wat ze gedaan hebben.


Want die werden werkelijk gedreven door liefde. Liefde voor God en liefde voor de naaste. En Paulus zegt in 1 Cor 13: ‘de liefde rekent niet’. De liefde rekent het kwade niet toe. Maar de liefde houdt ook geen telling bij van het goede wat ze doet.
Hoe wordt ze steeds meer zo’n mens? Die werkelijk uit liefde voor God handelt en niet meer vanuit allerlei andere dubieuze motieven? En dan zou ik er vanuit dit Bijbelgedeelte nog één ding uit willen lichten. Iets wat Jezus zegt over het gebed.

We lezen dat in vs. 7 en 8: ‘Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voortprevelen zoals de heidenen, die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden. Doe hen niet na. Want jullie Vader weet wat jullie nodig hebben.’
En dan volgt het onderwijs van de Here Jezus over het Onze Vader. Daar zou je op zich een hele preek over kunnen houden. Zelfs een hele prekenserie. Dat ga ik vanmorgen niet meer doen. Ik wil vanmorgen er eigenlijk maar één ding over noemen.

-

En dat is dit - Bidden is niet: God wat meer afstemmen op ons en op onze behoeften. We hoeven God niet door middel van ons gebed te informeren over wat er in ons leven aan de hand is en wat wij heel erg nodig hebben. Dat is het gebed niet.
‘Jullie Vader weet wat jullie nodig hebben’ zegt de Here Jezus. Het gebed is er niet om God af te stemmen op ons. Alsof Hij niet zou weten wat er in ons leven aan de hand is. Maar het gebed is er om ons en ons leven af te stemmen op God (2x).

Daarom begint het onze Vader ook niet met het gebed om dagelijks brood en of het gebed om vergeving. Maar daarom begint het Onze Vader met het gebed om de heiliging van Gods naam, de komst van Zijn Koninkrijk, ‘Uw wil geschiedde’.
Daar leert de Here Jezus ons om ons in de stilte van onze binnenkamer - een moment tussen jou en God alleen - ons leven weer opnieuw af te stemmen op Hem. Of beter gezegd: ons leven weer opnieuw door Hem af te laten stemmen op Hem.


En daarvoor is trouwens ook dat vasten aan het einde van ons Bijbelgedeelte bedoeld. Niet om Gods aandacht naar ons te trekken. Maar om onze aandacht weer naar God te trekken.  Door even af te zien van eten en drinken of andere afleidingen.
Het zijn allemaal geestelijke ‘oefeningen’ zou je kunnen zeggen. Niet om God af te stemmen op ons leven. Maar om ons leven af te stemmen op God. Zodat de liefde voor Hem de kern van heel ons doen en laten blijft.  En geen andere motieven.

En geestelijk ‘oefenen’, een stuk geestelijke discipline, dat is niet altijd zo makkelijk om dat in je eentje op te brengen. Daarom is het ook mooi dat deze week de week van gebed begint. We het dus samen mogen doen. Ons afstemmen op God.
Niet om deze week te zeggen: ‘Kijk mij eens! Ik ben er ook in de week van gebed!’ Maar juist om samen omhoog te kijken. En te zeggen: ‘Here God, U bent er! En we hebben dorst. Dorst naar U. Want we willen ons leven afstemmen op U.’
Amen.