LogoHG

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broers en zussen,

‘Wat vraagt het ambt en wat biedt het ambt?’ Nu er weer ambtsdragersverkiezingen aankomen, leek het me belangrijk om daar eens een keer met u over na te denken. Over wat het ambt nu eigenlijk vraagt van mensen. Qua inzet en capiciteiten.
Maar ook wat het ambt nu eigenlijk te bieden heeft aan gemeenteleden. Waarom het eigenlijk toch ook heel mooi en rijk is als je in de gemeente van Christus een ambt mag bekleden. Daar wilde ik vanavond eens met u over nadenken.

En dat is heus niet alleen van belang als je zelf de kans loopt tot ambtsdrager verkozen te worden. Maar dat is evengoed van belang als je zelf nog geen belijdenis hebt gedaan of al ver boven de 80 bent en dus niet zo snel meer gevraagd zal worden.
Zelfs dan is het van belang om daar een helder beeld bij te hebben - wat het ambt vraagt van mensen maar ook wat het biedt – want je bent immers altijd in de gelegenheid om als gemeentelid aanbeveling te doen voor nieuwe ambtsdragers.


Dat is zelfs heel wezenlijk in onze kerkorde. Dat de kerkenraad maar niet zichzelf aanvult met nieuwe ambtsdragers. Maar dat de gemeente zelf mensen naar voren schuift in wie ze Gods Geest aan het werk zien. Dus met aanbevelingen komt.
Denk maar even terug aan Hand. 6 over de aanstelling van de eerste diakenen. Daar zegt Petrus tegen de gemeente: ‘Zie uit naar mannen die goed bekend staan, vol van de Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen.’

De gemeente draagt dan mensen voor. En die worden vervolgens in het ambt van diaken bevestigd door de apostelen. Zo heeft dat in de christelijke gemeente vanouds gefunctioneerd. En zo proberen we dat nog steeds te doen.
Maar dan is het dus ook wel belangrijk dat er in de gemeente rondgekeken wordt. Dat u als gemeentelid biddend zoekt naar zulke mensen die goed bekend staan en vol van de Geest en wijsheid zijn. En dat u deze mensen voordraagt.

-

De verdiepingsdienst vanavond wil daarbij helpen. Daarom die vraag: ‘Wat vraagt het ambt nu eigenlijk van mensen? Qua inzet, qua capiciteiten.’ Hoe weet ik of iemand daar geschikt voor is? Hoe weet ik of ik er zelf wel geschikt voor ben?
En nu zou je met zo’n thema natuurlijk heel de Bijbel door kunnen lopen en alles wat daar over ambtsdragers gezegd wordt bij elkaar op kunnen tellen. En zeggen: ‘Kijk, dit moet je allemaal in huis hebben om een goede ambtsdrager te kunnen zijn.’

Maar ik vermoed dat het dan heel rustig wordt tijdens de ambtsdragersverkiezingen. En dat er dan misschien zelfs wel zittende ambtsdragers zijn die zeggen: ‘Nou, als het zo ligt, dan stop ik ermee. Want dat heb ik allemaal ook niet in huis.’
Bovendien is het maar de vraag of je met zo’n optelsom wel de kern raakt. Want al die dingen die daarin genoemd worden – ‘vol van de Geest en wijsheid bijvoorbeeld’ (Hand. 3), of ‘niet heerszuchtig maar als voorbeeld (1 Pet. 5)’ – beginnen ergens.


Dat zijn uitwerkingen van een diepere kern. En over die kern – de kern van het ambt – wil ik het vanavond met u hebben. Wat is nou het allerbelangrijkste als je ambtsdrager wil zijn in de gemeente van Jezus Christus. Waar komt het dan op aan?
En toen ik daar over na zat te denken, toen moest ik eigenlijk direkt denken aan dat gesprek tussen de Here Jezus en Simon Petrus, daar bij dat kolenvuurtje op het strand van het meer van Galilea. Want daar stelt de Here Jezus die kern aan de orde.

Want Hij vraagt aan Petrus: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief?’ En als Petrus dan zegt: ‘Ja, Heer, U weet dat ik van U houd.’ Dan zegt de Here Jezus er opvallend genoeg direkt achteraan: ‘Weid Mijn lammeren.’ Het één komt uit het ander op.
Blijkbaar is dat dus waar de Here Jezus als eerste naar kijkt wanneer Hij mensen een leidinggevende taak in de gemeente toevertrouwd: niet naar allerei capaciteiten. Maar naar dit ene wezenlijke: of ze van Hem houden als hun Heer en Heiland.

-

Wat vraagt het ambt dus van ons? Dit ene eenvoudige: dat we van de Here Jezus houden als onze Heer en Heiland. En dat lijkt een vraag die makkelijk te beantwoorden is: ‘Simon, zoon van Johannes – of vul je eigen naam maar in – heb je Mij lief?’
Maar juist omdat de Here Jezus deze vraag drie keer aan Petrus stelt, komt ‘ie heel dichtbij. Want u weet, Petrus had zijn Heer ook drie keer verloochend. Ook bij een kolenvuur trouwens. Toen had Petrus drie keer gezegd Jezus niet te kennen.

En nu zitten ze weer bij een kolenvuur. En nu vraagt Jezus het drie keer aan hem: ‘Petrus, heb je me lief?’ En dan kan Petrus – ondanks zijn verloochening – toch niet anders zeggen dan dit: ‘Heer, U weet alles, U weet toch dat ik van U houd.’
Met andere woorden: die liefde waar de Here Jezus naar zoekt in ons leven, dat is geen liefde die volmaakt is, zonder z’n zwakke momenten. Maar dat is een liefde die oprecht is. Die - al gaat het ook vaak mis - toch niet zonder de Here Jezus kan.


Dat is het belangrijkste wat je nodig hebt om de Heer te kunnen dienen. Dat je van Hem houdt. Dat je – ondanks je fouten en gebreken – toch niet zonder Hem kan. ‘Simon, heb je mij lief?’ ‘Heer, U weet dat ik van U houd.’ ‘Weid mijn lammeren.’
Dat laatste is ook mooi. Want dan laat de Here Jezus dus zien hoe je die liefde voor Hem gestalte kunt geven. ‘Weid mijn lammeren, hoed mijn schapen.’ En dat ‘weiden’ betekent vooral ‘voeden’. En dat ‘hoeden’ betekent vooral ‘behoeden.’

Dat betekent dus heel veel voor de Here Jezus. Als je zo omzien wil zien naar je medegemeenteleden, jong en oud, dat die kunnen gaan groeien in hun geloof. Het geestelijk voedsel krijgen dat ze nodig hebben. Beschermd worden voor gevaar.
Want Hij noemt ze ‘Mijn lammeren’ en ‘Mijn schapen’. Al die gemeenteleden, jong en oud, ze zijn van Hem. Hij wil het beste voor ze. En daar wil Hij ons bij inschakelen. Zo mag je liefde voor Hem concreet worden. In liefde voor Zijn kerk, Zijn kudde.

-

En dat is natuurlijk een heel mooi ideaal. Wie zou daar ‘Nee’ tegen zeggen? Maar nou viel me nog wel één ding op in die vraag van de Here Jezus. De Here Jezus vraagt nl. niet alleen: ‘Houd je van mij?’ Hij vraagt ook: ‘Meer dan de anderen hier?’
‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, meer dan de anderen hier?’ Eigenlijk is dat een beetje ongelukkig vertaald. Want nu lijkt het net of de Here Jezus aan Petrus vraagt of Petrus meer liefde voor Hem heeft dan de andere discipelen.

En het zou natuurlijk heel vreemd, ja zelfs heel arrogant zijn, als Petrus dan – nog maar kort na zijn verloochening – doodleuk tegen de Here Jezus zou zeggen: ‘Ja hoor, Meester, ik hou meer van U dan alle andere discipelen hier doen.’
Maar je kunt het grieks hier ook anders vertalen – en dat lijkt me veel aannemelijker – en dan vraagt de Here Jezus: ‘Petrus hou je meer van Mij dan je houdt van dezen hier?’ En dan zijn dezen niet de andere discipelen. Maar Petrus’ spullen.


Z’n boot die hij ongetwijfeld met hard werken bij elkaar gespaard had. Die recordvangst van 153 grote vissen die ze zojuist gevangen hebben en die op de markt een klein fortuin op gaan brengen. Kortom, heel dat vissersleven wat Petrus liefhad.
‘Simon, zoon van Johannes, houd je meer van Mij, ben ik belangrijker voor je dan heel dit leven wat je tot nu zelf opgebouwd hebt? En ben je bereid dat oude leven dus ook achter je te laten als Ik je roep  om Mij te volgen?’

En dan komt het opeens heel dichtbij. Dan is die liefde voor de Here Jezus opeens heel concreet. En betekent het voor Petrus ook dat hij heel concrete keuzes moet gaan. Straks zal hij de wijde wereld intrekken. Die boot kan dan niet mee.
Hij zal moeten gaan leven van giften die hij krijgt, terwijl hij juist een mooi bedrijf had opgebouwd en vandaag nog eens een recordvangst had geboekt. En dat dan allemaal achter moeten laten, dat valt om de drommel niet mee…

-

Ik dacht bij mezelf: ‘Zoiets kan ook gaan spelen als wij benaderd worden voor een ambt. Dan vraagt de Here Jezus, om het zo maar eens te zeggen, niet: ‘Heb je hier tijd voor?’ Maar dan vraagt Hij: ‘Wil je hier – uit liefde voor Mij – tijd voor maken?’
Ook als dat dus betekent dat je in dingen moet snijden. Dat je voor je werk, in het verenigingsleven of voor je hobbie misschien niet die extra tijd kunt vrijmaken. Omdat je die nu investeert in de gemeente. ‘Wil je hier tijd voor maken?’

Zo concreet kan het op een gegeven moment zijn om voor alle andere dingen Gods Koninkrijk eerst te zoeken. En dat vraagt de Here Jezus niet altijd en niet overal van ons. Er kunnen omstandigheden in ons leven zijn dat het gewoon niet kan.
En dan mag je ook vrijmoedig voor het ambt bedanken. Maar er kunnen ook omstandigheden in ons leven zijn dat het wel kan. Maar het van onze kant duidelijke keuzes vraagt. En durf je dat dan ook in vertrouwen te doen? Uit liefde voor Hem?


Want heeft de Here Jezus er ook bij gezegd: ‘Zoekt eerst Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid en al het andere zal u erbij geschonken worden.’ Als je dat doet, mag je ook voor wat je werk of vrije tijd betreft erop vertrouwen dat Hij voor je zorgt.
Dat je ook in dat opzicht niets te kort zult komen. Dat is trouwens ook de ervaring van christenen die die keuze gemaakt hebben en dagelijks nog maken – om Gods koninkrijk eerst te zoeken – dat God je dan op zoveel manieren kan verassen.

Het deed me denken aan een verhaal dat ik eens las over een Amerikaanse zakenman in de 19e eeuw – de miljardair John Wanamaker – die niet alleen een keten van warenhuizen begon maar ook nog eens directeur van de Amerikaans PTT was.
Daarnaast was hij ook voorzitter van de grootste zondagschool ter wereld van de Bethany Presbyterian Church. En toen iemand vroeg hoe hij al die verantwoordelijkheden combineerde zei hij: ‘Die zondagsschool is m’n werk, de rest is bijzaak.’

-

Tenslotte, broers en zussen, wat is nou nog meer belangrijk om vruchtbaar te kunnen zijn in Gods Koninkrijk? Dat is niet alleen dat je van de Here Jezus houdt. Maar ook dat je je richt op zijn Woord. Ook als dat ongedachte wegen wijst.
En dan kom ik even terug bij het begin van deze geschiedenis: dat verhaal over die wonderbare visvangst. Want u voelt: dat verhaal heeft natuurlijk ook van alles te maken met het werk in Gods Koninkrijk. Het is er haast een gelijkenis van.

Eerder hadden de discipelen al eens zo’n wonderlijke visvangst meegemaakt. De netten scheuren dan bijna door de vele vis. Dat kun je nalezen in Lukas 5. En daarna had de Here Jezus ze geroepen: ‘Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’
En nu zijn de discipelen weer aan de slag. Dreigt het weer niet te lukken. En dan staat de Here Jezus op de oever en roept Hij hen toe: ‘Gooi het over een andere boeg.  Werp het net uit aan de rechterzijde.’ En dan vangen ze opnieuw heel veel vis.


Dat heeft ook iets van een beeld in zich. Van hoe het leven en werken in Gods Koninkrijk er na Pasen uit ziet. De Here Jezus aan de overkant, op de vaste wal van het eeuwige leven. En wij hier nog aan het ploeteren. Aan het werk voor de kerk.
Maar al onze inzet en kunde lukt het ons niet om de mensen te bereiken, ze te vangen in de netten van het evangelie. Zolang we het vanuit onze eigen kracht proberen, lukt het niet. ‘Jongens, hebben jullie al iets gevangen? Nee, niets!’

Totdat we ons weer richten op Hem. Opnieuw naar Zijn Woord gaan horen. Ons laten inspireren door de zachte stem van Zijn Heilige Geest. We ons werkelijk door Hem laten leiden en het over een andere boeg gaan gooien. En dan lukt het wel.
Ik schets dat nu wat kort. Maar u voelt denk ik de boodschap wel aan. Wanneer kan de Here Jezus je gebruiken? Niet alleen als je Hem liefhebt. Maar ook als je je richt naar Zijn Woord en zoekt naar Zijn leiding. Dan maakt Hij je inzet vruchtbaar.

-

En die twee dingen samen – liefde voor de Here Jezus en gericht zijn op Zijn Woord en de leiding van Zijn Geest – dat is nou de kern van wat het ambt van je vraagt. Dat is veel belangrijker dan alle kennis en kunde die je als mens in huis kan hebben.
En dan nog niets eens dat je die liefde voor de Here Jezus en die gerichtheid op Zijn Woord en Geest allemaal in huis hoeft te hebben. Maar dat je daar in ieder geval naar verlangt. Dat je daar in wil groeien. Dat je zo door Hem gebruikt kan worden.

Dat is de kern. En al die andere dingen die er in het NT vervolgens bij genoemd worden, vloeien daar uit voort. Want ga maar na - Niet heersen over de kudde? Nee, want het is niet jouw kudde. Het zijn de schapen van je Heer zelf.
Je ambt verrichten, niet gedwongen maar vrijwillig, niet om er beter van te worden maar met toewijding? Ja, want je doet voor je Heer zelf. En je mag weten dat je werk – hoe weinig je er misschien van terugziet – niet tevergeefs is in de Heer.


En temidden van die al die dingen die je dan als ambtsdrager meemaakt, zijn er dan telkens van die verassingen zoals op die morgen aan het meer van Galilea. Dat je opeens merkt ‘Het is de Heer! Hij is erbij! En Hij doet wat wij niet kunnen.’
‘Hij zelf zorgt er voor dat mensen aangeraakt worden door het evangelie. Hijzelf waait met Zijn Geest door de gemeente heen. Ja, door zijn Heilige Geest gebruikt Hij ook mij met al mijn beperkingen. Om anderen te bereiken met zijn liefde.’

Dat is wat het ambt je biedt. Een bijzondere kans om Christus aan het werk te zien. Een bijzondere kans om zelf door die Opgestane Heer gebruikt te worden. Een bijzondere kans om de kracht van Zijn Geest door je leven te voelen stromen.
Dan deel je uit en wordt je zelf toch niet armer. Dan probeer je anderen te bemoedigen en merk je dat je ondertussen zelf wordt bemoedigd. Dan merk je tot je stomme verbazing dat de Heer veel meer door je kan doen, dan je ooit gedacht had.

-

Wat dat betreft is het eigenlijk raar dat het doorgaans zo moeilijk is om ambtsdragers te vinden. Ik denk wel eens bij mezelf: eigenlijk zou mensen in de rij moeten staan om ambtsdrager te willen worden. Je committeert je dan ergens aan.
De vrijblijvendheid is voorbij en je neemt echt een belangrijke taak op je. Je wilt medeverantwoordelijkheid dragen voor de opbouw van de gemeente. Maar juist zo merk je tot je verassing dat je zelf in het geloof gebouwd wordt.

Want de Here Jezus vraagt naar onze liefde voor Hem. Dat is de belangrijkste voorwaarde om iets in zijn Koninkrijk te kunnen betekenen. Maar als we dan – aarzelend misschien – ‘Ja’ zeggen, ontvangen we ook heel veel liefde van Hem.
Want zo werkt het bij de Heer. Hij geeft zelf wat Hij van ons vraagt. Ten diepste brengt Hij zelf alles met zich mee wat wij nou nodig hebben. Als je dat maar ziet, dan kan het al heel snel hoor – ambtsdrager zijn – omdat je het met Hem mag doen.
Amen.