LogoHG

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broers en zussen,

Ik weet niet of u het gezien hebt, vorige week zondag op het journaal. Maar toen kwam Piet Oosterveld aan het woord. Een onderzoeker die in de jaren 80 op de Noorpool zat. Op het eiland  Spitsbergen. En toen door een ijsbeer is aangevallen.
Bijna laconiek wees hij de littekens op z’n hoofd aan. ‘Kijk, hier heeft een beretand gezeten’ zei hij, terwijl hij een soort holte aanwees die vlak naast z’n voorhoofd was achtergebleven. En bij een ander litteken: ‘hier zijn ook tanden overheen gegaan.’

De ijsbeer had met één hap al een stuk oor, wang en hoofdhuid te pakken. ’t Was dat zijn enige collega ter plekke, George Visser, het hoorde en bovenop de rug van die ijsbeer was gesprongen, dat Oosterveld het er levend van afgebracht heeft.

‘En’ dacht ik bij mezelf: ‘daar moet je toch moed voor hebben gehad? Om – met niets dan je blote handen - een woedende ijsbeer op z’n rug te springen. Zo’n beest is ruim 2,5 meter lang en weegt dan gemiddeld zo’n slordige 500 kilo.
Ongeveer het formaat Goliath dus. En je springt er zomaar op af. Omdat op dat moment maar één ding voor je telt: ‘Het leven van je collega redden.’ Je moet het toch maar durven. ‘Waar haal die moed vandaan?’ dacht ik bij mezelf.
En daar zou ik vanmorgen met u over na willen denken. Over dat thema: ‘Waar haal je de moed vandaan?’ Want wij kunnen in ons leven ook met spannende situaties te maken krijgen. Als het slecht gaat met onze gezondheid of met ons bedrijf.

Prive dus. Maar ook in onze samenleving lijkt het wel alsof we de laatste jaren steeds meer spannende situaties van dichtbij meemaken. Alsof het leven de laatste 10 jaar een stuk minder veilig geworden is dan in de jaren daarvoor.
Denk bijvoorbeeld maar aan Tristan van der V. in de Ridderhof. Wie had 5 jaar geleden kunnen denken dat zoiets in Nederland kon gebeuren? Denk maar aan de ramp bij de Julianabrug  3 weken terug. Je gelooft je ogen toch niet?
Wij wonen dichtbij Moerdijk. Dat hebben zich de afgelopen jaren ook twee grote chemisch rampen voltrokken. Nog niet zo erg als afgelopen week in China. Maar toch: meer dan vroeger hou je er rekening mee dat zoiets wel eens kan gebeuren.

Waar haal je de moed vandaan als we in een wereld leven die steeds onveiliger lijkt te worden? Die vraag dringt zich soms aan me op als ik ’s avonds naar het journaal kijk en de zoveelste ramp of crisis voorbij zie komen. Bij u misschien ook wel.
En om een antwoord op die vraag te krijgen moeten we vanmorgen kijken naar de drie hoofdrolspelers in dit Bijbelverhaal: Saul, Goliath en David. Want alle drie leren zij ons iets over wat echte moed is of juist niet. Waar echte moed ontbreekt.
Vanmorgen beginnen we dan bij Saul. Hij is als koning aangesteld juist om de Filistijnen te bestrijden. Dat was zijn taak, zijn roeping. Hij is nu dus aan zet. Hij zou nu in aktie moeten komen. Maar Saul durft niet meer. Hij is de moed verloren.

En we kunnen ons wel voorstellen waarom. Want als je dan die beschrijving van Goliat leest: ‘ruim zes el lang’ -  meer dan 2,5 meter, formaat ijsbeer dus – en ook nog eens van top tot teen gepantserd in brons, ja, wie zou dan niet bang zijn?
De verteller van dit verhaal neemt ook uitgebreid de tijd om te schilderen wat een vechtmachine die Goliat was. ‘Hij droeg een bronzen schubbenpantser dat wel 5000 sjekel woog (57 kilo). En de punt van zijn lans  woog 600 sjekel (7 kilo).’
Als Wim van Egmond erbij was geweest had hij na afloop aan al dat brons en ijzer goed geld kunnen verdienen. Goliat is een levende tank die over alles en iedereen op het slagveld heenwalst. Een echte vechtmachine. Geen wonder dat Saul bang is.

Maar toch is dat niet de diepste reden waarom Saul bang is voor Goliat. Saul is vooral bang voor Goliath omdat Saul God is kwijtgeraakt. De Heilige Geest van God vervult Sauls hart niet meer. Dat is de diepste reden waarom Saul niet meer durft.
Hoe dat zover gekomen was met Saul kun je nalezen in de voorafgaande hoofdstukken. Ik laat dat verder nu even rusten maar het komt er vooral op neer dat Saul Gods woord ongehoorzaam werd. Toen trok God zijn Heilige Geest van Saul terug.
Sindsdien wint de angst het bij Saul. En u voelt, daar zit wel een toepassing in naar ons nu: ‘Als wij vaak angstig zijn of ons vaak zorgen maken – overal leeuwen en beren op de weg zien – hoe heeft dat dan te maken met onze relatie met God?’

Is Hij dan op één of andere manier ook in ons leven op de achtergrond geraakt dat onze angsten en zorgen zo de overhand kunnen krijgen? En dat bedoel ik nou niet als een verwijt. De ene mens is nu eenmaal veel stressgevoeliger dan de ander.
De ene mens maakt ook veel meer mee dan de ander. En er is ook een soort zorgeloosheid die niks met het geloof te maken heeft. Maar ik bedoel het meer als een soort handreiking. Voordat je nou naar de psycholoog stapt of naar de huisarts...
- wat overigens heel verstandige dingen kunnen zijn - ... heb je je ook afgevraagd wat God met die zorgen te maken heeft? Want bij Hem ligt je diepste houvast. En als het contact met Hem op de achtergrond is geraakt, dan helpt de rest ook niet.

Ik zei het net al: er is ook een soort zorgeloosheid die niks met het geloof te maken heeft. En dan komen we bij Goliat. Goliat is nergens bang voor. Hij heeft z’n eigen, brute kracht. En hij is uitgerust met laatste technologische hoogstandjes.
In grondtekst valt dat nog extra op. Want er worden vreemde, niet-hebreeuwse woorden gebruikt om Goliats wapenrusting aan te duiden. Dat schubbenpantser wordt een Sirjoon genoemd. En dat is een leenwoord uit een niet-semitische taal.
En het is gemaakt van brons. Dat was toen high-tech. Wij zouden zeggen: ‘Made in the USA’, rechtstreeks uit het Amerikaanse leger. En daar vertrouwt Goliat op. Op z’n brute kracht en de moderne techniek. Wie doet hem wat?

En ook daar hoef je helemaal niet zover te kijken om de parallel met onze tijd te voelen. Want daar vertrouwen wij ook heel vaak op. Op de moderne wetenschap en techniek en wat die allemaal te bieden hebben. Bij ziekte bijvoorbeeld.
 ‘Kanker zal in de toekomst geen levensbedreigende maar meer een chronische ziekte worden’ stond er pas in de krant. ‘Ze kunnen tegenwoordig gelukkig zo veel…’ dat hoor je mensen vaak zeggen als er een ingrijpende ziekte is geconstateerd.
Daarachter hoor je de hoop. En dat mag ook. Als mens ben je ook geschapen om te leven. En toch komen we er keer op keer achter dat het ook in het ziekenhuis mensenwerk is en mensenwerk blijft. ‘Het is toch weer terug…’ hoor je dan later.

In onze tijd is er vaak een blind vertrouwen in wetenschap en techniek wat ons mensen ook overmoedig kan maken. Net als Goliat. En je hoeft maar even aan dat die ramp bij de Julianabrug te denken om te weten hoe dichtbij dat kan zijn.
Afgelopen week zei de directeur van BSB Staalbouw dat ook eerlijk op het journaal. ‘Wij hadden deze klus voor moeten leggen aan een gespecialiseerd bedrijf in stabiliteits- en ballastberekeningen. Die expertise hebben we zelf niet in huis.’
Overmoed, een blind vertrouwen in wetenschap en techniek die bijna verafgood worden. Je ziet het soms ook in de namen die op de grote machines worden. ‘Manitou’, het indiaanse woord voor ‘God’, dat zie je soms op die grote verrijkers staan.

Of ‘Liebherr’ ‘Onze lieve Heer’ in het duits. Dat is zo’n merk dat je vaak op van die grote huiskranen ziet, net als die bij de Julianabrug zijn gebruikt. En het is natuurlijk allemaal wat associatief van mij. Die namen zijn natuurlijk geen opzet.
Maar het is meer een soort beeld dat zich dat toch aan me opdringt. Of het in onze tijd niet de wetenschap en de techniek is die God naar de kroon steekt. Net als Goliat: ‘Waar is die God van Israël? Waar hebben we die in onze tijd nog voor nodig?’
En nu liggen die bouwkranen in Alphen in het puin. Als moderne Goliats ter aarde gestort. Haast alsof we er een boodschap in moeten zien: ‘Dit gebeurt met de samenleving waar wetenschap en techniek de plaats van God in gaan nemen...’

En daarmee komen we ten slotte uit bij David. David die – anders dan Saul - de moed niet verliest. Maar David die – anders dan Goliat – ook niet op zichzelf, zijn eigen kennis en kunde vertrouwt. David die iets heel bescheidens over zich heeft.
David is op dat moment al tot koning gezalfd. Hij weet dat er een grote toekomst voor hem klaar ligt. Hij verblijft zelfs al periodes aan het hof. Als Saul geplaagd wordt door een geest van het kwaad en hij voor Saul op de harp moet spelen.  
‘Maar’ lezen we dan in vs. 15: ‘David ging heen en weer tussen het kamp van Saul en Bethlehem waar hij de kudde van zijn vader hoedde.’ In de tussentijd is David gewoon herder. Dat is hem blijkbaar niet te min. Gewoon op de schapen passen.

Hij vertelt daar ook over aan koning Saul: ‘Ik heb altijd de kudde van mijn vader gehoed. Wanneer er een leeuw of een beer kwam om een schaap of een geit uit de kudde te stelen, ging ik erachteraan en redde het dier uit zijn muil.’
‘En’ zegt David er dan achteraan: ‘Leeuwen en beren heb ik verslagen. En de Heer die me gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren zal me ook redden uit de hand van deze Filistijn.’ David heeft dus wel moed. Anders dan Saul.
Maar – anders dan Goliath - David vertrouwt niet op z’n eigen kunnen. Hij vertrouwt zelfs niet op z’n eigen moed. Maar David zegt: ‘De Heer heeft mij gered uit die en die situatie. De Here zal me ook nu redden uit de handen van deze Filistijn.’

En daar raken we het geheim van echte moed. David gaat met God. Samen met God gaat David op de vijand aan. Zoals we straks ook met elkaar zullen zingen: ‘Ik bouw op U, mijn schild en mijn verlosser. Niet eenzaam ga ik op de vijand aan’.
Met God gaat David op de vijand af. En u voelt, daar zit natuurlijk ook een boodschap voor ons nu in. Hoe ga je straks naar het ziekenhuis voor de uitslagen van het onderzoek? Hoe ga je straks naar je werk als er een reorganisatie dreigt?
Hoe ga je komende week voor het eerst naar school als je daar misschien wel tegenop ziet? David gaat met God. En het is niet zo dat David op dat moment geen angst voelde. Maar doordat David met God ging, kon hij over die angst heen kijken.

En David strijdt voor de eer van God. Dat is misschien nog wel de belangrijkste boodschap die in heel dit Bijbelverhaal te vinden is. Waar vecht David voor en waar haalt David zijn moed vandaan? Wel, David vecht voor de eer van God.
En laat ik nou proberen dat wat kort en praktisch proberen te omschrijven. Waar ben je nou ten diepste bang voor als je naar het ziekenhuis gaat? Of waar ben je ten diepste bang voor als het achteruit gaat met de zaak of op je werk?
En dan zijn er natuurlijk ontzettend veel dingen waar we bang voor kunnen zijn om die te verliezen: je gezondheid, je inkomen, het werk waar je zo aan gehecht bent geraakt, je populariteit in de klas misschien wel.

Maar David keek anders. Voor hem stond in dat gevecht met Goliat vooral de eer van God op het spel. Dat zegt hij ook tegen Goliat: ‘Ik daag jou uit in de naam van de Heer van de hemelse machten, de God van Israël, die jij hebt beschimpt.’
Dat stond voor David op het spel. Hij zocht eerst God Koninkrijk en zijn gerechtigheid. En dan worden alle andere dingen anders. Want dan is het belangrijkste als je ernstig ziek bent, niet meer de vraag of je nog beter kan worden.
Dat is wel belangrijk. Maar dat is niet het belangrijkste. Het belangrijkste wordt dan de vraag: ‘Hoe kan nou in mijn ziek-zijn toch iets zichtbaar worden van Gods Koninkrijk? Dat Hij het belangrijkste voor me is en niet m’n gezondheid.’

En dan komen ook al die andere problemen waarmee we te maken kunnen krijgen in werk, school, huwelijk en gezin ook in een ander perspectief te staan. Niet meer: gaat het lukken zoals ik zelf graag zou willen? Maar hoe kan ik God hierin eren?
Als m’n werk kwijt raak en we het financieel met veel minder zullen moeten gaan doen. Als m’n huwelijk me misschien niet brengt wat ik zelf gehoopt had. Hoe kan ik dan toch nog zo met die problemen omgaan dat Gods naam erin geëerd wordt?
Ik zeg dit met een zekere aarzeling. Want ik heb zelf nog met weinig tegenslag in m’n leven te maken gehad. Maar het lijkt met toch de beweging die in de tekst zit, de houding die we van David mogen leren.

En ik geloof ook dat er van deze andere, nieuwe manier van kijken kracht uit gaat. Dat je daardoor ook nieuwe moed krijgt. Omdat je voelt: ‘Inderdaad, dit is wat God ten diepste van mij verlangt. Om zijn Koninkrijk eerst te zoeken.’
En als ik dat probeer – met vallen en opstaan, met fouten en gebreken – maar als ik dat toch probeer in m’n leven - om zijn Koninkrijk eerst te zoeken en de gerechtigheid, de manier van leven die daarbij past – dan is Hij er ook. En dan helpt Hij mij.
Dan durf ik ten diepste toch met David mee te zeggen - over de problemen waar ik in mijn leven tegenaan loop - : ‘Die God die mij verlost heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, die God zal me ook verlossen uit de handen van deze Filistijn.’

Zo gaat David op Goliat af. Hij wordt gedreven niet door eer voor zichzelf. Maar hij zoekt in de eerst plaats Gods eer en Gods Koninkrijk. En voor al het andere vertrouwt Hij op zijn hemelse Vader. Zo gaat David Goliat tegemoet.
En, broers en zussen, daar wordt je nou moedig van. Niet wanneer je jezelf al te veel af gaat vragen of je wel moedig genoeg bent, of je wel voldoende geloof in huis hebt, niet wanneer je uit alle macht je angsten en zorgen probeert weg te duwen.
Maar waar je afvraagt: ‘Wat wil God van mij in deze situatie? Wat vraagt Hij in deze situatie van mij? En hoe kan ik Hem en de mensen om me heen in deze situatie nou zo dienen dat Gods naam er door geëerd wordt.’

Daar verliezen de zorgen iets van hun grip op je leven. Daar stroomt de kracht van Gods Geest je hart weer binnen. Daar krijg je nieuwe moed omdat God met je meegaat.
Amen.