LogoHG

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broers en zussen,

Vanmorgen ontmoeten we David op een nieuw kruispunt in z’n leven. David was al een vluchteling geworden. Opgejaagd door Saul vlucht hij eerst naar Samuël in Rama. Daarna naar de tabernakel bij de priesterstad Nob. David is al op de vlucht.
Maar tot dan toe is dat nog steeds in de bewoonde wereld. Hij is nog onder de mensen. Maar vanmorgen ontmoeten we David in een nieuwe fase in zijn leven. David trekt de wildernis in. Helemaal alleen. En daar zal hij de komende jaren blijven.

Een niemandsland. Daar lag die spelonk van Adullam. In een onherbergzaam gebied precies op de grens tussen Israël en de Filistijnen. Niemand die daar wat te zoeken heeft. Maar David vind er een veilig heenkomen. In de wildernis, de woestenij.
Ik stel me zo voor dat David eerst opgelucht geweest zal zijn. ‘Hier ben ik veilig. Hier kan niemand me vinden.’ Maar daarna moet die spelonk toch ook iets van een gevangenis voor hem gekregen hebben. Zo spreekt hij er tenminste over in Ps 142.


 ‘Red mij van wie te sterk mij is, voer mij uit zijn gevangenis’. We hebben het gezongen. En zo staat het in de grondtekst ook letterlijk: ‘Voer mij uit deze kerker.’ Na die eerste opluchting en de rust van de stilte krijgt David het er toch moeilijk mee.
‘Hoe kan het nou dat ik in m’n leven op dit punt ben aangeland? In een kille grot aan de rand van de bewoonde wereld. Ver van alles wat het leven mooi en goed maakt. Ik ben dan wel vrij maar eigenlijk ben ik toch een gevangene in deze spelonk.’

En, broers en zussen, dat kan zo’n herkenbare vraag zijn of worden als je zelf in je leven ook zo’n kruispunt overgaat. Van een gewoon en een vrij leven. Naar een leven waarin je je – door wat je meemaakt - op allerlei manieren gevangen voelt.
Als je je werk verliest, hoe gevangen kun je je dan niet voelen in het web van regels en instanties? Als je je gezondheid verliest, hoe gevangen kun je je dan niet voelen in je zieke lichaam? Hoe opgesloten kun je je niet voelen in je eigen gevoel?

-

En opeens is die woestijn van David dan heel dichtbij. ‘Waarom overkomt mij dit?’ Zoals David het ook uitroept in Ps. 142. ‘Alles, alles wat mij benauwd / Heb ik de HERE toevertrouwd.’ David heeft dat dus heel intens beleefd, die tijd in de spelonk.
Hij voelt zich eenzaam en verlaten. En daarom bid hij ook: ‘Leid mij uit de beklemming dat ik Uw naam weer loven kan in de kring van de rechtvaardigen.’ Je voelt daar Davids verlangen om weer een kring medegelovigen om zich heen te hebben.

En heel opvallend: God verhoort dat gebed van David. Hij laat David daar niet alleen zitten in het donker van die spelonk. Maar door de opening van die spelonk begint er voorzichtig licht naar binnen te vallen. Want we lezen in 1 Sam. 22:1:
‘David ging weg uit Gat en vond een veilig heenkomen in een grot in de buurt van Adullam. Toen zijn broers en overige familieleden dat hoorden, voegden ze zich daar bij hem.’ Davids familie komt hem opzoeken. En ze blijven bij hem.


Dat moet voor David toch een enorme bemoediging zijn geweest? Weer mensen om zich heen. Familie. Door de opening van die spelonk begint er voorzichtig licht naar binnen te vallen. In de woestenij is er opeens weer leven, mee-leven.
En ik vond dat eigenlijk een heel mooi beeld. Ook voor wat wij hier in de gemeente proberen te doen. Want wij zijn ook bedoeld als één familie. Broers en zussen, aan elkaar gegeven om in goede en in kwade dagen met elkaar mee te leven.

Je zou kunnen zeggen: die kring van mensen die daar rond David ontstaat in de spelonk van Adullam – niet alleen z’n direkte familie maar ook andere mensen die zich rond David groeperen – dat is eigenlijk al een beeld van de kerk, van de gemeente.
En zo mogen wij dat nu dus ook proberen in het seizoen dat we deze week met elkaar gestart zijn. Om echt met elkaar mee te leven. Op de clubs. In de gespreksgroepen. Om zo – in goede en kwade dagen – die familie voor elkaar te mogen zijn.

-

Ondertussen valt wel op dat David z’n vader en moeder onderbrengt bij de koning van Moab. We lezen dat in vs. 3-4: ‘David bracht zijn ouders onder bij de koning van Moab. Daar bleven ze zolang David zich in zijn schuilplaats verschanst hield.’
Davids ouders waren al op een leeftijd. Zo’n onderduikersbestaan in een grot was te veel van hen gevraagd. En dus klopt David aan bij de koning van Moab: ‘Mogen mijn vader en moeder naar uw grondgebied uitwijken?’ David klopt aan in Moab.

Maar hoezo nou in Moab? Waarom verwacht David juist daar bescherming? Wel, David had Moabitisch bloed in zijn aderen. Zijn overgrootmoeder was Ruth, de Moabitische, die destijds met Naomi uit Moab teruggekeerd was naar Bethlehem.
Eigenlijk ook een hartverscheurende geschiedenis. Zowel Naomi als Ruth verliezen beiden hun mannen en komen dan berooid in Bethlehem aan. Naomi zegt dan: ‘Noem mij maar geen Naomi meer – lieflijk betekent dat - maar Mara – bitter’.


‘Want’ zegt ze er dan nog achteraan: ‘de Almachtige heeft mij veel bitterheid aangedaan.’ In die geschiedenis voel je ook zo sterk die ‘waarom’-vraag naar de oppervlakte komen. ‘Waarom – vraagt ook Naomi zich af – is mijn leven zo gelopen?’
Maar nu – misschien wel honderd jaar later – valt er opeens een stukje van die hartverscheurende puzzel op z’n plek. Want doordat David in de verte nog verwant is aan Moab kan hij nu zijn vader en moeder bij de koning van Moab onderbrengen.

Een klein stukje van de puzzel valt op z’n plaats. ‘God doet alle dingen meewerken ten goede voor diegene die Hem liefhebben’ zal Paulus vele eeuwen later opschrijven. Heel vaak begrijpen we niet waarom de dingen in ons leven zo gaan.
Maar soms licht er toch opeens – midden in het hier en het nu - iets op van Gods Koninkrijk. Die verborgen wijze waarop God ons leven leidt en regeert. En daar mag je dus ook troost in vinden als je in je leven zo’n woestijnperiode meemaakt.

-

Wie weet waar God dat nog voor kan gebruiken? Misschien zul je daar later in je leven nog een keer achter komen. Misschien ook niet. Maar dan nog kan het zijn dat juist die periode in de wildernis, in de woestijn toch betekenis had.
Misschien nog wel voor je kinderen of kleinkinderen. Dat die er in een later moment in hun leven – misschien als ze zelf in de moeilijkheden zitten - aan terug zullen denken: ‘Toen en toen had ma het ook moeilijk. Maar ze zocht het wel bij God.’

‘En daar vond ze ook de kracht om door te gaan.’ Voelt u, zo kan soms juist zo’n woestijnperiode in ons leven ook een vruchtbare periode zijn. Zonder dat we het zelf in de gaten hebben.  Want dat gebeurt nogal eens vaker in de Bijbel.
Dat mensen de woestijn in moeten voor God hen kan gebruiken. Denk aan Mozes. Veertig jaar in de woestijn voor God hem roept om Israël te bevrijden. Denk aan het volk Israël. Veertig jaar in de woestijn voor ze het beloofde land binnengaan.


En denk tenslotte aan de Here Jezus zelf. Veertig dagen en nachten is hij in de woestijn. Om verzocht te worden door de duivel staat er dan nog bij. Pas daarna trekt Hij vol van de Heilige Geest naar Galilea en beginnen de wonderen te gebeuren.
Blijkbaar kan zo’n periode in de wildernis ook een vruchtbare tijd zijn waarin we – door alle beproevingen heen - onze wortels steeds dieper leren uitstrekken naar het levende water. God ons karakter vormt om ons beter te kunnen gebruiken.

En iets van dat vertrouwen – dat ook deze periode in zijn leven God niet uit de hand liep – lijken we bij David terug te horen als hij tegen de koning van Moab zegt: ‘Mogen mijn vader en moeder hier blijven tot ik weet wat God met mij voorheeft.‘
David heeft er ook mee geworsteld. Hij heeft het er ook moeilijk mee gehad waarom alles nu zo moest lopen in zijn leven. Maar uit die worsteling is toch geloof en vertrouwen geboren. Geloof en vertrouwen dat God hem niet in de steek zal laten.

-

En dat mogen wij nou ook proberen. In de woestijn toch te vertrouwen dat God ook deze situatie kan laten meewerken ten goede. God kan dat zelfs met de moeilijkste situaties. Laat niemand van ons dus denken dat dat voor hem of haar niet geldt.
Want dat valt tenslotte nog op in dat groepje mensen dat zich om David heen verzamelt. Eerst komt alleen zijn familie. Maar daarna komen ook allerlei mensen die in moeilijkheden zitten, schulden hebben of verbitterd zijn door het leven.

Dat is dus een heel gemêleerd gezelschap. Maar het zijn eigenlijk allemaal mensen met problemen. Outcasts. Mensen met schulden. Mensen met psychische problemen.Mensen die in het in die toenmalige samenleving niet meer kon redden.
Maar toch zijn ze bij David welkom. Zoals later ook bij de Here Jezus allerlei slag mensen welkom waren. En rond David wordt – juist in die tijd in de woestijn - dit groepje van Jan Rap en zijn maat omgesmeed tot de kern van een machtig leger.


Want als je dan verder leest in de geschiedenis van David, dan merk je hoe dit legertje mannen van het eerste uur later - als David koning is geworden - sleutelposities in het Israëlische leger innemen. ‘De helden’ worden ze dan genoemd.
Uit Jan Rap en z’n maat onstaan in de woestijn onder leiding van de gezalfde koning, de Messias David een leger van keurtroepen die tot heldendaden in staat blijken te zijn. En u voelt, daar zit natuurlijk ook een toepassing in richting ons.

Richting de kerk, de gemeente. Want dat mag nou ook met ons gebeuren. Wie we ook zijn en wat er ook van ons leven terecht is gekomen. Want wij verzamelen ons hier ook rond de gezalfde koning, rond dé Messias, Jezus Christus, onze Heer.
Hij wil onze aanvoerder zijn. En als we Hem willen volgen, dan maakt Hij ook van ons mensen die tot dingen in staat zijn die we nooit meer verwacht hadden. Als Hij maar voorop mag gaan, dan kan Hij ons leven nieuw maken. Wat er ook gebeurd is.

-

Heb je schuld? Zijn er dingen in je leven misgelopen en heb je die misschien ook wel echt aan jezelf te danken? Hij is voor die schuld gestorven. Als je met je schuld bij Hem aanklopt, die eerlijk belijdt dan is er ook voor jou een weg van vergeving.
 Ben je verbitterd door hoe je leven gelopen is, innerlijk beschadigd misschien door wat mensen je hebben aangedaan? ‘Hij heelt gebrokenen van harte en Hij verbindt ze in hunne smarten.’ Dat is Psalm 147 OB. We zullen die straks in de NB zingen.

Maar dat kan de Here Jezus dus ook doen. Je daar aanraken en helen waar niemand bij kan komen. Hij wil ons leven opnieuw vullen met zijn Geest. En waar we om die Geest bidden en open staan voor zijn Woord daar gebeurt dat ook.
Daar knappen mensen op. Daar worden levens hersteld. Waar we het van God gaan verwachten en ons willen laten leiden door Zijn Woord. En daar wil ik dan als laatste nog wat over zeggen. Over dat Woord van God dat ons de weg wijst.


Want daar eindigt deze korte geschiedenis vanmorgen ook mee. Met een Woord van God dat de profeet Gad aan David over moet brengen. ‘Blijf niet in de bergen maar ga naar het land van Juda’ moet Gad namens God tegen David zeggen.
En dat was eigenlijk een heel vreemd advies van de profeet Gad. Dat ging eigenlijk in tegen alle menselijke logica. Want David bevondt zich in zijn schuilplaats in de bergen. En dat woordje schuilplaats kun je ook vertalen als ‘bergvesting’.

Dat was dus een heel veilige plek. Sommige uitleggers denken dat David zich op dat moment dan ook niet meer in de spelonk Adullam bevindt maar dat dit een aanduiding is voor een nieuwe plek waar David verblijft, nl. Massada.
Als u wel een in Israël geweest bent, dan weet u wat voor plek dat is. Een vrijwel onneembaar fort boven op een bergplateau. Wij zouden zeggen: ‘David, blijf nou hier. Hier ben je veilig. Ga nou niet naar Juda waar Saul je zo kan vinden.’

-

Maar God zegt – via de profeet Gad – tegen David: ‘Ga naar het land van Juda. Richting het hol van de leeuw. Want ook daar – in het hol van de leeuw – kan ik voor je zorgen’ En dan gaat David. Hij vertrouwt Gods Woord. Meer dan zijn eigen logica.
En, broers en zussen, wil zo’n periode in de wildernis, in de woestijn werkelijk een vruchtbare tijd in ons leven worden, dan is dat ook voor ons heel belangrijk. Dat wij ons in de wildernis werkelijk laten leiden door het Woord van God.

Ook als dat Woord ons soms onverwachte en ongedachte wegen wijst. Wegen die ingaan tegen ons eigen menselijke logica. Dat we dan toch nog – net als David – meer vertrouwen op dat Woord van God dan op onze eigen menselijke verstand.
Dan neem je in de ogen van mensen misschien grote risico’s, dan speel je niet op safe, maar dan zul je toch merken dat bij God veilig bent. En dat Hij op ongedachte en onverwachte wijze zelfs grote moeilijkheden nog kan veranderen in zegen.

Dan maak je mee wat de Here Jezus zoveel jaren laten zal zeggen: ‘Wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en van het Evangelie, juist die mens zal zijn leven behouden.’
Dat zijn lessen, die leer je alleen maar in de woestijn. Misschien bevindt je je op dit moment wel in zo’n dorre vlakte. Lijkt je leven leeg en verlaten. Maar God is er nog. Zelfs in de woestijn kun je Hem nog vertrouwen. Met Hem is er altijd toekomst.
Amen.