LogoHG

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broers en zussen,

‘Assertief of proactief?’ Daar gaat het vanmorgen over in deze Vier de zondag dienst. En kan me voorstellen dat iemand zegt: ‘Wat bedoel je daar nou precies mee? ‘Assertief of proactief? Kun je die termen nog even voor me uitleggen?’
Ik kan me dat voorstellen. Want ‘assertief’ en ‘proactief’ zijn termen uit de psychologie en de coaching. Je gebruikt ze niet dagelijks.  Maar ‘Assertief’ betekent dat je voor jezelf durft op te komen. ‘Zelfbewust, zelfverzekerd’ staat er in Van Dale.

En ‘proactief’ wil zeggen dat je van te voren nadenkt over wat er kan gaan gebeuren. Welke moeilijkheden er kunnen onstaan of juist welke kansen er liggen. Dat je daar op voorbereid bent en daarop anticipeert, van te voren al naar handelt.
’t Is niet echt een tegenstelling. Iemand kan assertief en proactief tegelijk zijn. Maar het is wel een accentsverschil. Assertief betekent vooral ‘opkomen voor jezelf.’ Proactief gaat meer over ‘kansen zien en creëren om samen iets op te lossen’.

-

Het leek me in ieder geval goed om daar eens met elkaar over na te denken. Want – dat merk ik wel eens in gesprekken – mensen kunnen daar echt mee zitten. ‘Mag ik als christen eigenlijk wel opkomen voor mezelf en voor m’n eigen mening?’
‘Mag ik ‘nee’ zeggen als ik op m’n werk of prive gevraagd wordt om het zoveelste klusje er ook nog even bij te doen? Mag ik opkomen voor een stukje ‘eigen tijd’ binnen het drukke gezinsleven? Mag dat of is dat eigenlijk verkeerd, heel egoïstisch?’

Vaak heeft dat met je opvoeding te maken. De situatie in het gezin thuis. Sommige mensen vinden het daardoor heel lastig om op een goede manier grenzen te trekken. Maar allemaal kunnen we situaties meemaken waarin dat een vraag wordt.
Als je op het werk of prive met conflicten te maken krijgt: ‘Moet ik als christen dan altijd maar de minste zijn? Moet ik altijd maar vergeven en vergeten? Of mag ik ook nou ook eens echt voor mezelf opkomen? Assertief zijn: tot hier en niet verder!’

-
-

Een spannende vraag. Het leek me daarom goed om het er eens over te hebben. Want aan de andere kant merken we ook dat we in een samenleving zitten die steeds assertiever wordt. Waar mensen zich meer en meer laten gelden.
Denk alleen maar aan hoe het er tegenwoordig zelfs in de Tweede Kamer aan toe gaat. Wat voor taal er soms gebruikt wordt. En mensen vinden het prachtig! Of als je kijkt hoe op de sociale media, op internetfora gecommuniceerd wordt!

‘Assertief zijn’ is zo langzamerhand ‘Roeptoeteren’ geworden, dat wil zeggen: zonder greintje respect over anderen heenwalsen. Het plaatje op de liturgie vat het mooi samen. Hoe botter, hoe beter. En mensen smullen ervan.
En als je jezelf in zo’n samenleving staande wil houden – tussen lompe collega’s of botte buren – nou, dan moet jezelf ook niet al te zachtzinnig zijn. Dan kun je ook echt wel een beetje haar op tanden gebruiken. Anders lopen ze zo over je heen!

-

Wat is dan de juiste houding? En wat vertelt de Bijbel daarover? Dat soort gedachten gingen door me heen toen ik van de week zo die geschiedenis van David en Saul zat te lezen. Over David die daar ‘toevallig’ op Saul stuit in een grot in Engedi.
Daarmee is eigenlijk het eerste al gezegd. Want dat is natuurlijk geen toeval dat Saul nou uitgerekend die grot binnengaat waar David en zijn mannen achterin zitten. Dat is natuurlijk geen toeval. Maar dat heeft de Here God zelf zo geleid.

Achter de schermen is God zelf bezig. Saul, die is dan wel van plan om David een kopje kleiner te maken. Maar God zelf leidt de dingen zo dat niet David in de handen van Saul valt maar Saul in de handen van David. God zelf komt voor David op.
En dat lijkt me ook de eerste en misschien wel belangrijkste gedachte als we nadenken over dat thema ‘Assertief of proactief?’ Geloof dat nou – ook voor jezelf – dat er ten diepste iemand anders is die voor jou op wil komen? God zelf.

-
-

Want dat maakt een groot verschil bij hoe je in het leven staat. Als het uiteindelijk allemaal van jou afhangt, kun je het beste maar zo assertief mogelijk zijn. Niet over je heen laten lopen.  Want als jij niet voor jezelf opkomt, doet niemand anders het!
Maar als je gelooft dat God je Vader is en jij Zijn kind mag zijn. En dat dus ook betekent dat Hij je leven leidt, dat Hij voor je zorgt, dat Hij voor je opkomt, dan hangt het dus niet allemaal van jouw assertiviteit af of je leven uit de verf komt.

Dan is Hij daar achter de schermen ook mee bezig. En dan kan Hij de dingen zo leiden dat – ook als je met heel lastige mensen of vervelende situaties te maken hebt – je uiteindelijk toch ongebroken uit de strijd tevoorschijn komt.
Denk maar aan David. Want heeft hij niet moeten vluchten voor Saul. Maar God geeft David niet in Sauls macht. Nee, in dit gedeelte gebeurt juist het omgekeerde. God geeft Saul in de macht van David. David kan met hem doen wat hij wil.

-

Zo zeggen zijn mannen dat tenminste tegen David: ‘Dit is het moment waarop de Heer doelde toen Hij zei: ‘Ik zal je vijand aan je uitleveren.’ Je kunt met hem doen wat je wil.’  Voor Davids mannen is de situatie klip en klaar. ‘Dit is geen toeval!’
‘Toe nou David. Dit is het moment. Een goedgerichte dolkstoot en heel die ellende met Saul is voorbij!’ Maar David aarzelt. Is dit werkelijk Gods wil? Mag hij – nu hier in die grot Saul zwak is en hij sterk – werkelijk met Saul doen wat hij wil?’

‘En wat wil hij dan werkelijk met Saul?’ Ze horen, zien en ruiken Saul daar op één van je kwetsbaarste momenten als mens: Saul doet z’n behoefte.’Is Saul dan alleen maar een vijand, een monster zonder gezicht? Of ook nog een medemens?’
Zulke overwegingen moeten er ergens door David heen zijn gegaan. Want later zal hij het zo tegen Saul zeggen: ‘Ze zeiden dat ik u moest vermoorden. Maar ik was met u begaan.’ Anders dan zijn mannen blijft David in Saul een medemens zien.

-
-

En dat is eigenlijk best bijzonder dat David dat respect nog voor Saul kon voelen. Respect voor een medemens. Want David was door Sauls toedoen heel wat kwijtgeraakt: zijn vrouw Michal, het contact met Jonatan, zijn positie aan het hof.
Het was helemaal niet vreemd geweest als David als een verbitterde beer die van z’n jongen berooft daar in dat donker zich op Saul gestort en korte metten met die meedogenloze koning had gemaakt. Zo gaat het meestal in de geschiedenis.


En zo gaat het ook vaak bij ons als we in conflicten verzeild raken. We worden hard. We worden bitter. Maar David reageert anders. Er is nog zachtheid in Davids hart. Er is nog mededogen. Hij kan Saul nog zien als een kwetsbaar medemens.
‘Ze zeiden dat ik u moest vermoorden. Maar ik was met u begaan.’ Heel bijzonder dat David nog zo naar Saul kon kijken. Met liefde. Met mededogen. Dat kan eigenlijk alleen maar omdat David zelf heel dicht bij God leefde.

-

En dat brengt me bij een tweede belangrijke gedachte. Met assertief zijn is op zich niets mis. Ik denk dat David in andere omstandigheden prima voor zichzelf kon opkomen. Niet voor niets was hij een dappere held en een geliefd aanvoerder.
Maar kun je nou ondertussen ook nog met liefde en mededogen naar die ander kijken? Ook die ander met wie je misschien wel in de clinch ligt. Ben je bereid om niet alleen op je eigen belangen te letten maar ook op die van een ander.

Want zo lijkt je op David. Zo lijkt je uiteindelijk op de Here Jezus, de grote Zoon van David waar David naar vooruit wijst. Als je niet alleen let op je eigen belang maar op dat van de ander. Paulus schrijft het zo in de Filipenzen 2:3-5:
Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf. Heb niet alleen uw eigen belangen voor ogen maar ook die van de ander. Laat onder u die gezindheid heersen die Christus Jezus had.

-
-

Paulus zegt daar ook nog iets bij. ‘Acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf’. Dat gaat dus over ‘respect’ En ook daar zien we iets van terug in dit verhaal. Want David spaart niet alleens Sauls leven omdat hij bewogen met hem is.
David spaart Saul ook omdat hij de koning is, de gezalfde  van de Heer, dat wil zeggen: dat koningschap van Saul is maar geen waardigheid die Saul zichzelf heeft toegeëigend, nee, dat koningschap is hem door God verleend. Het is een ambt.

Saul ‘bekleedt’ dat ambt van koning. Zo zeg je dat: je bekleedt een ambt. Dat wil zeggen: de persoon in kwestie is de buitenkant van dat ambt, de bekleding, maar de kern van dat ambt gaat dieper. Dat komt ten diepst bij God zelf vandaan.
En dat ziet David ook. Hij is niet alleen bewogen met Saul als een medemens. Maar hij respecteert Saul ook als ambtsdrager. Saul is nog steeds de door God gezalfde koning. En dat betekent dat hij, David dus niet tegen Saul in opstand mag komen.
-

En ook dat is een besef wat in onze samenleving steeds meer vervaagd is. We zeggen nog wel: ‘Handen af van onze hulpverleners’ maar waarom dat nou precies is, ja dat weten we eigenlijk niet meer. Maar de Bijbel zegt dan: het ambt.
Politieagenten, leerkrachten enz. enz. dat zijn maar niet alleen menselijke instellingen. Maar dat zijn structuren in de samenleving die ten diepste bij God zelf vandaan komen. En als je aan die structuren komt, kom je dus ergens aan God zelf.

Het is denk ik een besef wat weggesleten is in onze samenleving. En dan moet je ook niet gek staan te kijken als de taal steeds grover wordt en hulpdiensten soms nauwelijks hun werk kunnen doen. Als God verdwijnt wordt alles relatief.
Maar hier in de kerk leren we juist op die andere manier naar de samenleving kijken. Want hier in de kerk hebben we ook ambtsdragers. Hier zitten ze, voor in de kerk. Straks worden ze de handen opgelegd. Dan bevestigt God zelf ze in het ambt.

-
-

En daar mag je dus ook wat verwachten. Dat God via hen ook jij wil helpen en leiden. Ik herinner me een periode uit ons eigen gezinsleven thuis dat we het als gezin niet zo makkelijk hadden. Pas verhuisd. We moesten allemaal erg wennen.
’t Was niet zo heel gezellig eigenlijk. En toen kregen we als gezin huisbezoek van 2 ouderlingen. En toen begon m’n moeder dat toch allemaal te vertellen! Ze hing gewoon alle vuile was buiten. Voor die 2 ouderlingen. Ik kon me oren niet geloven!

Later zei ik tegen haar: ‘Ma, dat ga je toch allemaal niet vertellen.’ Eén van die twee ouderlingen was een heel reële vent maar die ander vond ik als puber toch een beetje apart. En toen ging m’n moeder allerlei dingen over ons gezin vertellen!
‘Ma, dat ga je toch niet allemaal vertellen!’ Maar toen zei m’n moeder: ‘Ja, maar dat zijn ouderlingen. Ik kijk niet alleen naar wie die mensen zelf zijn maar ik verwacht toch ergens dat God ons via die mensen verder kan helpen! Dat zijn ouderlingen!’

-

Dat lijkt me ook iets om te onthouden. Eigenlijk zoals ik het net ook aan de kinderen vertelde. Ambtsdragers – zeker de ouderlingen - zijn voorbijgangers. Ze komen af en toe voorbij om je mee te leven. Zijn ze dan ook welkom als ze bellen?
En durf je dan ook tevoorschijn te komen met de vragen waar je diep van binnen mee zit? Durf je die met hen te delen in het vertrouwen dat God jou ook via hen wil leiden bij allerlei moeilijke beslissingen waar je misschien mee te maken hebt.

Kijk je dan niet alleen naar de persoon voor je. Of je daar veel mee hebt of niet. Maar kijk je daar ook achter? Tot op het ambt wat die persoon bekleedt. Want achter dat ambt staat God zelf. En Hij kan jou ook via deze persoon verder helpen.
Straks zullen we deze mensen de handen opleggen. Dan symboliseert de vervulling met Gods Geest. Die Geest komt met hen mee als je bij je langskomen. Daar mag je het dan verwachten. Zoals m’n moeder zei: ‘Ja, maar dat zijn ouderlingen!’

-
-

Tenslotte, broers en zussen, we hebben het nu vooral ‘assertief gehad’. Maar aan dat proactief zijn we amper toegekomen. Ik ga daar nu geen hele preek meer over houden. Maar wil er nog één ding over zeggen. David is niet zozeer assertief…
… David is vooral proactief. Hij komt niet zozeer voor zichzelf. Dat laat hij aan God over. Maar hij gaat ook niet stil in een hoekje zitten afwachten. Zijn hart bonst in z’n keel als hij die slip van Sauls mantel afsnijdt. ‘Ga ik nu toch niet te ver?’

Maar hij maakt er wel op een goede manier gebruik van. Want hij confronteert Saul met die slip van zijn mantel. ‘Kijk zelf maar, vader, hier heb ik een stuk van u mantel. Maar ik heb u niet vermoord. Ziet u wel dat ik geen kwaad in de zin heb?’
Als je die toespraak van David leest, dan zie je hoe hij op alle mogelijke manieren de weg voor Saul probeert te banen. David bouwt met zijn woorden een brug waar Saul overheen kan komen om zich zonder gezichtsverlies met David te verzoenen.

-

En dat is dus – denk ik – wat we vooral mogen leren. Naast assertief zijn, vooral ook zo’n bruggebouwer zijn. Iemand die – zonder daarbij zichzelf en zijn eigen grenzen uit het oog te verliezen - zoekt naar verzoening, naar vrede met alle mensen.
Het is denk ik ook een heel mooie omschrijving wat jullie als ambtsdragers mogen gaan doen in de periode die voor ons ligt. Bruggen bouwen. Pastorale bruggen: gesprekken en woorden die mensen helpen de weg naar God weer vinden.

Stevige pijlers in de financiëen als er tekorten overbrugd moet worden. Luchtbruggen naar elders in de wereld waarlangs geld en goederen mensen in nood kunnen bereiken. Bruggen bouwen, daar mogen jullie ons als gemeente in voorgaan.
En met de hulp van God is er dan geen brug te ver. Hij kan ook door jullie heen dingen doen die je zelf niet voor mogelijk had gehouden. Want de Heilige Geest gaat met jullie mee. Die wil als een stille kracht door jullie inzet heen gaan waaien.

-
-


Als een stille kracht. Want God is dan niet zo assertief. Hij loopt niet met zichzelf te koop. Hij laat zich zomaar door ons negeren. Maar God is wel heel proactief. Hij heeft ook voor de periode voor ons al allerlei dingen klaarliggen.
Goede werken en goede gesprekken die Hij al voorbereid heeft en die alleen maar op hoeven te pakken. Want zo is God. Hij gaat voor ons uit. Waar wij straks komen, daar is Hij al geweest. Daar mag je nu al moed en vertrouwen uit putten.
Amen.