LogoHG

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broers en zussen en in het bijzonder jullie doopouders en Pieter,

‘Je hoeft niet bang te zijn’ - dat is niet alleen het thema van deze dienst maar ook de tekst van een bekend kinderliedje. Het combo heeft het vanmorgen voorafgaand aan de dienst  gezongen:
Je hoeft niet bang te zijn.
Al gaat de storm te keer.
Leg maar gewoon je hand
in die van onze Heer.
En ik weet niet hoe dat bij jullie thuis gaat. Maar Heidi en ik hebben dat liedje wel eens gezongen. Als we ’s avonds bijvoorbeeld op de bank zaten met een ziek kind. Of als de kinderen bang waren van het onweer.


‘Je hoeft niet bang te zijn’. Eigenlijk vat dat eenvoudige kinderliedje ook heel mooi de kern van het evangelie, het goede nieuws samen. Want zo komt God in de Bijbel nog al eens naar ons mensen toe. Hij zegt: ‘Vrees niet!’
Denk maar aan de engel die verschijnt aan Maria: ‘Wees niet bevreesd, Maria, want je hebt genade gevonden bij God.’ Denk de engel die later verschijnt aan de herders: ‘Weest niet bevreesd, ik verkondig u grote blijdschap.’

En zo gaat het eigenlijk heel de Bijbel door. Bij Abraham, bij Jozua, bij het volk Israël in de ballingschap, bij de discipelen met hun bootje in de storm, bij de vrouwen bij het lege graf, bij Paulus op zendingsreis.
Iedere keer: ‘Vrees niet! Wees niet bevreesd!’ Zo bemoedigt God ons mensen keer op keer. Ik heb wel eens gelezen dat dat 365 keer in de Bijbel staat. ‘Wees niet bevreesd!’ Voor iedere dag van het jaar één keer.

-

‘Maar’,  - zou je je af kunnen vragen – ‘is dat niet veel te makkelijk?’ Als mens kun je toch van alles meemaken waar je wel degelijk bang voor kunt zijn? En ook het geloof is toch geen garantie dat jou niks kan overkomen?
Zeker als jonge ouders raak je gevoeliger voor dat soort vragen. Dat begint al bij de zwangerschap. ‘Gaat alles goed met de baby?’ En die bezorgheid lijkt haast met de leeftijd mee te groeien. ‘Niet zomaar oversteken!’

Met de komst van kinderen ben je je opeens veel meer bewust van de kwetsbaarheid van het leven. En ja, dat kan dat liedje ‘Je hoeft niet bang te zijn’ tegelijk toch ook wel weer heel makkelijk en goedkoop lijken.
Zeker als er rond je eigen kinderen wel degelijk zorgen zijn. Was is dat dan toch, die wonderlijke boodschap die in de Bijbel steeds weer op ons afkomt ‘Vreest niet’? Hoe stonden die mensen in de Bijbel dan in het leven?

Psalm 27 is daar een mooi voorbeeld van. Want hier verwoordt David iets van hoe hij dat van binnen beleefde: ’De Heer is mijn licht, mijn behoud, wie zou ik vrezen? Bij de Heer is mijn leven veilig, voor wie zou ik bang zijn?’
David staat inderdaad onbevreesd in het leven. Terwijl David toch ook heel wat voor kiezen gekregen had. Hoe kreeg David dat voor elkaar? Wat was bij hem het geheim dat hij zo onbevreesd in het leven kon staan?

-

Nou, dat was in ieder geval dus niet omdat in Davids leven alles zo gladjes verliep en hij nooit iets ingrijpends meegemaakt heeft. Dat David in Psalm 27 zegt: ‘Ik hoef niet bang te zijn!’ dat lag niet aan de omstandigheden.
Want, broers en zussen, als je dan eens even kijkt wat David op dat moment blijkbaar meemaakt, dan rijzen je haren ten berge. ‘Kwaadwilligen kwamen op mij af om mij levend te verslinden, mijn vijanden belaagden mij!’

Davids had niet zomaar wat zorgen. Davids leven was echt in gevaar. Continue. Er zou zo weer een oorlog uit kunnen breken die op hem gemund was. David leefde bij wijze van spreken in Syrië. Was op de vlucht voor IS.
Toch zegt hij hier: ‘Al trok een leger tegen mij op, mijn hart zou onbevreesd zijn, al woedde er een oorlog tegen mij, dan nog zou ik mijn veilig weten.’ David, hoe doe jij dat als wij soms over veel kleinere dingen bezorgd zijn?

En dan horen we David in het vervolg van deze Psalm iets van dat geheim verwoorden. We lezen in vs. 4: ‘Ik vraag aan de Heer één ding, het enige wat ik verlang: wonen in het huis van de Heer alle dagen van mijn leven...’
En dan komt het: ‘… om de liefde van de Heer te aanschouwen, Hem te ontmoeten in zijn tempel. Hij laat mij schuilen onder Zijn dak op de dag van het kwaad. Hij verbergt mij veilig in Zijn tent. Hij tilt mij hoog op een rots.’

-

Dat was voor David de kern. Dat Hij – wat er in zijn leven ook gebeuren kon – veilig was bij God. Dat die over hem waakte. En dat Die hem door alle omstandigheden in het leven – hoe moeilijk ook - heen zou dragen.
David kende datzelfde geloofsvertrouwen zoals dat bijvoorbeeld ook doorklinkt in zondag 1 HC: ‘Wat is uw enige troost zowel in leven als in sterven? Dat ik het eigendom ben van mijn trouwe zaligmaker Jezus Christus.’

David leven had een dieper fundament dan de steeds wisselende omstandigheden – positief of negatief - waarin hij zich bevond. Want David wist zich veilig bij God. ‘Bij de Heer is mijn leven veilig, voor wie zou ik bang zijn?’
En, broers en zussen, zou je dat David nou na durven zeggen? Dat maakt echt een groot verschil voor hoe je in het leven staat. Of alles ten diepste van jouzelf afhangt. Of dat je jouw leven inderdaad veilig weet in Gods hand.

Dat maakt een groot verschil. Maar David is er tegelijk ook wel eerlijk over. Dat geloof komt je niet zomaar aanwaaien. Dat geloof moet je ook geleerd worden. Daar moet je ook telkens weer in bemoedigd worden.

En daarom verlangt David er ook zo naar om weer in Gods huis te mogen zijn. Want daar had hij het geloof geleerd. Waarschijnlijk was hij van jongs af aan al met een zekere regelmaat naar de tabernakel geweest.

-

En daar in de tabernakel, in de tent van God, waar de priesters dienst deden, waar elke gelovige Israëleit toch tenminste één keer per jaar naar toe ginga, sprak alles van Gods goedheid en zijn grootheid.
Daar stond het brandofferaltaar dat sprak van Gods vergeving. Daar stond de 7-armige kandelaar die altijd brandde. Daar in het heilige der heiligen stond de ark van het verbond met de engelen op het deksel.

In Davids psalmen kun je merken hoe een diepe indruk die symboliek op hem gemaakt heeft. ‘De Heer is mijn licht’. Ongetwijfeld heeft David daarbij gedacht aan die kandelaar. ‘Zo wil God ook het licht in mijn leven zijn.’
‘In de schaduw van Uw vleugels zal ik zingen.’ Ongetwijfeld heeft David daarbij gedacht aan die engelenvleugels daar op het deksel van de ark. ‘Zo wil God ook over mijn kwetsbare leven Zijn beschermende vleugels strekken.’

David vertrouwt en gelooft. ‘De Heer is mijn licht, voor wie zou ik vrezen?’ En tegelijk beseft hij ook hoezeer hij telkens opnieuw in dat geloof bemoedigd moet worden. Het moet je telkens opnieuw geschonken worden.
En juist daarom verlangt hij er zo naar om weer in het huis van God te mogen komen. En het weer opnieuw voor zich te zien. Wie God is en wat Hij voor ons wil zijn in ons leven. ‘David wil Gods liefde aanschouwen.’

-

En, broers en zussen, waarom nou dit hele verhaal over de tabernakel en wat daar te zien was, hoe alles daar sprak van Gods goedheid en trouw? Waarom nou dit hele verhaal? Nou, omdat vanmorgen hetzelfde gebeurt!
Vanmorgen mogen wij het ook voor ons zien. Gods liefde en trouw. In de doop. Waarin daarin komt God heel zichtbaar naar ons en onze kinderen toe. Legt Hij ten diepste zelf zijn hand op ons. Zegt tegen ons: ‘Vrees niet!’

Wij mogen het voor ons zien - Gods liefde en trouw - zoals David dat eens voor zich zag in de tabernakel. Zodat ook bij ons en onze kinderen het geloof wakker geroepen wordt. En we in dat geloof ook versterkt worden.
Daar zijn de sacramenten – doop en avondmaal - namelijk voor bedoeld. Om ons geloof te versterken. Dat het weer glashelder voor ons wordt. God is er! Met Hem is alles anders. Met Hem hoef je nergens bang voor te zijn.

Daarom roepen we de kinderen ook altijd naar voren bij het doopvont. Zodat ze het heel indringend voor zich zien. Zo is God. Hij roept ons bij name. Hij heeft het ook tegen mij gezegd: ‘Ook jij, ook jij mag mijn kind zijn!’
En daarom is dit ook zo’n mooi moment in het leven van ouders en grootouders. Omdat we het heel tastbaar voor ons zien. God is trouw. Hij wil ons en onze kinderen opnemen in Zijn verbond zodat we voor altijd veilig zijn.

-

En nou, tenslotte, broers en zussen, nog één laatste gedachte. En dat gaat over twijfel. Want aan het begin van deze Psalm is David vol van geloof en vertrouwen. ‘De Here is mijn licht en mijn behoud, wie zou ik vrezen?’
Maar verderop in de Psalm zie je dat David zich bij momenten ook onzeker kon voelen. Niet eens zozeer over de omstandigheden van zijn leven, maar veel meer over die relatie met God zelf. Hoorde God hem eigenlijk wel?

Vs. 7 ‘Hoor mij, Heer, als ik tot U roep. Wees mij genadig en antwoord mij!’ en even verderop in vs. 9: ‘Verberg uw gelaat niet voor mij, wijs uw dienaar niet af in toorn.’ Het geloof was niet vanzelfsprekend voor David.
God is het heldere licht dat schijnt in Davids leven. Maar dat heldere licht was voor David nog niet direkt zo klaar als een klontje. David kende ook onzekerheid, twijfel. Het leek me goed om dat vanmorgen ook te noemen.

Want voor sommigen van jullie is dat ook zo.  Het trekt je ergens, het geloof. Anders zat je hier niet. Maar toch kun je je er nog niet zomaar aan overgeven. Is God er dan wel echt? En ben ik ook werkelijk welkom bij Hem?
Maar dan zegt David in vs. 8 ‘Mijn hart zegt u na: ‘Zoek mijn nabijheid!’ Uw nabijheid, Heer, wil ik zoeken.’ Met andere woorden, David beseft: dat ik er ergens toch niet los van ben en los van raak, dat komt door God zelf.

-

Hij is het eigenlijk zelf die diep in mij dat verlangen oproept om Hem te zoeken. Hij zegt het zelf diep in mijn hart ‘Zoek mijn nabijheid!’ Zoals wij dat misschien vanmorgen ook wel voelen in deze dienst. Dat God aan ons trekt.
En als het dan zo – denkt David dan verder – als het dan ten diepste God zelf is die dat verlangen naar Hem in mij wakker roept, ja, dan mag ik toch ook geloven dat Hij me dan vervolgens niet in de kou zal laten staan.

Dat Hij er dan ook alles aan zal doen dat ik telkens opnieuw in m’n leven door Hem gevonden mag worden! En dan eindigt David door te zeggen: ‘Al verlaten mijn vader en mijn moeder mij, de Heer neemt mij liefdevol aan.’
En daar mogen we nu allemaal moed uit putten vanmorgen. Voor onze taak als doopouders. Voor onze taak als ambtsdragers. Als we vanmorgen onze hand opnieuw in Gods hand leggen, dan neemt Hij ons liefdevol aan.

Ook als je dat met aarzelingen doet. Je nog heel erg moet groeien in die relatie met God. Dan neemt God je toch aan. Om wat de Here Jezus ook voor jou gedaan heeft. En dan hoef je inderdaad nergens bang voor te zijn.
Want die grote God die hemel en aarde geschapen heeft gaat met je mee. Dan mogen we het David nazeggen, wat er ook gebeurt: ‘Wacht op de Heer, wees dapper en vastberaden. Ja, wacht op de Heer!’
Amen.