LogoHG

tekst 6Over een goed mens die meer was dan dat…
Al lezend in de verhalen over Jezus van Nazareth valt in de eerste plaats op dat hij werkelijk mens is geweest. We lezen over Jezus die moe was, honger had, emoties kende: verdriet en boosheid. Daarbij valt tegelijkertijd op dat we door al die mensenlijke trekken van Jezus’ heen in het bijzonder geraakt worden door de liefde en goedheid waarmee hij de mensen om hem heen benaderde en hulp gaf.

Een literatuurwetenschapper heeft eens gezegd dat het vrijwel onmogelijk is om op overtuigende wijze een roman over een goed mens te schrijven. Vroeg of laat blijkt dat ook deze hoofdpersoon een mens van vlees en bloed is met fouten en gebreken. Toch is dat precies hetgeen wat we in de verhalen over Jezus van Nazareth aantreffen: een overtuigend portret van een mens die waarlijk goed was.
Nu ligt daar ook niet het grootste struikelblok voor kritische zoekers. Velen zien Jezus als een goed mens, een voorbeeld in naastenliefde en groot leraar van spirituele wijsheden. De vraag is echter of Jezus niet meer was dan dat. Doen we aan zijn optreden en woorden recht wanneer we hem bestempelen als ‘een groot geestelijk leider’? Er zijn aanwijzingen dat Hij zichzelf anders gezien heeft.
Zo valt het in de verhalen over hem bijvoorbeeld op dat dat Jezus sprak en handelde op eigen gezag. Hij verwees wel naar de boeken van het Oude Testament maar had ze niet nodig om zijn eigen woorden kracht bij te zetten. Hij leerde, zo zeiden de mensen in zijn tijd, ‘als gezaghebbend en niet als de Schriftgeleerden’. Hij sprak rechtstreeks over de God van het Oude Testament als zijn Vader en en sprak en handelde namens Hem alsof hij Hem persoonlijk en van dichtbij kende. Zichzelf zag hij als ´de Christus´: de unieke Zoon van God die met een beslissende taak naar deze aarde was gezonden, nl. om zijn leven te geven voor de zonden van de wereld.
Jezus claimde dus veel meer te zijn dan ‘een groot geestelijk leider’ waar mensen zich vrijblijvend toe kunnen verhouden. ‘Niemand komt tot de Vader dan door Mij’ zei hij eens en daarmee maakte hij duidelijk dat de houding die de mensen ten opzichte van hem innamen, beslissend was voor hun verhouding tot God. De joodse leiders uit zijn dagen hadden goed begrepen hoe ver Jezus´ claims gingen en probeerden hem dan ook uit de weg te ruimen. Zijn volgelingen hadden er ook moeite mee maar werden uiteindelijk over hun eigen ongeloof uitgetild door zijn opstanding uit de dood.