LogoHG

Broers en zussen,

‘Help: ik twijfel!’ Dat is het thema van deze Vier de zondag. En ik vond het plaatje op de voorkant van de liturgie eigenlijk wel goed bij dit thema passen. Dat plaatje van die toets met een vraagteken erop. Want gaat het vaak niet zo?
Allemaal heb je wel eens je vragen. Ook bij het christelijk geloof. Meestal is daar prima mee te leven. Maar dan onverwacht maak je iets mee - of je hoort of je leest iets - en dat kleine vraagteken wordt in één keer een massief uitroepteken.

Alsof er diep van binnen op een knop gedrukt wordt en alle twijfels die daar misschien al veel langer aanwezig waren opeens naar boven beginnen te komen. ‘Is het wel waar wat ik altijd geloofd hebt? Klopt het wel wat er in de Bijbel staat?’
Als je dat overkomt, kan dat een heel beangstigende ervaring zijn. Alles wat je tot dan toe voor waar had aangenomen staat opeens op losse schroeven. ‘Help: ik twijfel!’ Wie dat wel eens meegemaakt heeft, weet hoe heftig dat kan zijn.


Nou weten wij in de kerk wel raad met zulke twijfels. Wij hebben daar een beproefd antwoord op. En dat antwoord is: ‘Daarom is het ook een geloof!’ M.a.w.: Zeker weten doe je het toch nooit. Je moet het gewoon maar geloven!
Dus niet van die lastige vragen stellen. Straks gaan we allemaal nog twijfelen. Je kunt het nu eenmaal niet beredeneren wat er in de Bijbel staat en wat er in de kerk geloofd wordt. ‘Daarom is het ook een geloof!’ Dat is vaak ons antwoord op twijfel.

Maar het helpt niet, dat antwoord: ‘Daarom is het ook een geloof!’ Het enige wat er gebeurt, is dat we dan verder onze mond maar houden en onze vragen en twijfels weg proberen te duwen naar een stoffig hoekje ergens achter in ons brein.
En zodra er dan weer eens op die knop gedrukt wordt – zodra er weer wat gebeurt wat je aan het twijfelen brengt: ‘Is het allemaal wel waar?’– komen al die vraagtekens levensgroot terug. En begint het hele circus weer van voor af aan.

-

Het helpt niet, dat antwoord ‘Daarom is het ook een geloof’. Maar belangrijker nog, het is ook geen Bijbels antwoord. Want in de Bijbel gebeurt dat nou juist niet. Dat twijfelaars hun mond moeten houden. Moeilijke vragen weggedrukt worden.
In de Bijbel gebeurt dat nou juist niet. Daar komen gelovigen met al hun twijfels aan aanvechtingen eerlijk voor het voetlicht. Dat zie je al in de Psalmen. Maar bijvoorbeeld ook bij Thomas in ons Bijbelverhaal. Hij windt er geen doekjes om.

‘Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven.’ Lett. staat er: ‘Tenzij ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie…, zal ik zeker niet geloven!’
Thomas windt er geen doekjes om. Niks vragen wegstoppen naar een donker hoekje ergens achter in je brein. Thomas legt z’n diepste twijfels op tafel. En dat doet hij dus eigenlijk voor ons allemaal hier vanmorgen. Als wij ook wel eens twijfelen.


Broers en zussen, dat staat allemaal gewoon in de Bijbel! Zodat wij onze vragen en twijfels niet weg zouden stoppen. Maar er werkelijk verder mee geholpen zouden worden. Er los van zouden komen. Van die twijfel die ons zo kan verlammen.
Want het Bijbelverhaal gaat verder. Een week na die eerste verschijning zijn de discipelen weer bij elkaar. Weer op zondag. Johannes vertelt het haast met een knipoog. Alsof hij zeggen wil: ‘Daar gebeurt het. Daar, op zondag, als we bij elkaar zijn.’

Thomas is er dit keer ook bij. En dan verschijnt de Here Jezus opnieuw. En wat zegt Hij tegen Thomas? ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.’ Zo reageert Jezus op Thomas.
Thomas wordt uitgenodigd om zelf te komen kijken en voelen dat Jezus het echt is. Dat Hij werkelijk is opgestaan uit de dood. En dat het dus maar geen verhaaltje is wat de discipelen Thomas op de mouw proberen te spellen. Geen fabeltje.

-

En zo gaat het telkens in de Bijbel. Vragen en twijfels worden niet weggeduwd. Maar worden eerlijk benoemd. En vinden dan een antwoord. Zo zal Paulus het later ook doen. Als hij de wijde wereld intrekt met het evangelie over Jezus Christus.
‘Hij is opgestaan uit de dood!’ zegt Paulus. Maar de mensen waren toen ook niet gek. Die wisten heus wel dat dat normaal gesproken helemaal niet kon. ‘Dood is dood’ Daar heb je echt de moderne wetenschap niet voor nodig om dat te weten.

En wat zegt Paulus dan in 1 Cor 15:3? ‘Wat ik jullie doorgegeven heb, heb ik op mijn beurt ook ontvangen: Christus is voor onze zonden gestorven, zoals in de Schrift staat, Hij is begraven en op de derde dag opgewekt, zoals in de Schrift staat.’
‘Toen is Hij verschenen aan Petrus en aan de twaalf leerlingen. En daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn maar de meeste nu nog leven.’


En nou is zo interessant: waarom zegt Paulus dat laatste er nog zo heel nadrukkelijk bij: ‘Daarna is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters van wie de meeste nog in leven zijn?’ Waarom zegt hij dat er zo nadrukkelijk bij?
Wel, eigenlijk zegt Paulus heel eenvoudig: ‘Als je het niet gelooft – dat Jezus is opgestaan – pak dan de boot naar Jeruzalem. Want daar leven nog bijna 500 broeders en zuster die Hem met eigen ogen hebben gezien, de opgestane Heer.’

Weer diezelfde beweging als we ook zien bij de Here Jezus en Thomas. Vragen worden niet weggedrukt of ontkend. Maar die worden beantwoord. Want dat verhaal over de opstanding van Jezus is maar geen fabeltje. Het is echt.
En dan blijft er een stap in geloof die je moet zetten. Jezus zegt tegen Thomas: ‘Wees niet langer ongelovig maar gelovig.’ Maar die stap hoef je niet te zetten omdat er toch geen bewijs is. Maar die stap mag je zetten juist omdat er bewijs is!

-

Tenslotte nog even terug naar het verhaal. De Here Jezus zegt tegen Thomas: ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.’ Thomas mag dus komen kijk en voelen. Of het echt is.
Maar weet u wat nou het interessante is? Als we verder lezen in het Bijbelverhaal horen we nergens dat Thomas dat ook doet. Dat hij zijn vinger in de wonden in Jezus’ handen steekt, zijn hand in de wond in Jezus zijde. Dat lees je nergens.

Je krijgt sterk de indruk dat Thomas op het moment dat de Here Jezus dat zegt - ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij…’ – dat Thomas dan ter plekke op z’n knieën valt er zegt: ‘Mijn Heer en mijn God’.
Heel dat bewijs waar hij eerst zo stellig om gevraagd had -  ‘Als ik de wonden van de spijkers niet in z’n handen zie en met mijn vingers kan voelen en mijn hand niet in z’n zij leg, zal ik zeker niet geloven’ – dat is opeens overbodig geworden.


Thomas heeft dat bewijs niet meer nodig. En weet u waarom? Waarom Thomas dat bewijs niet meer nodig heeft? Thomas weet zich ineens gekend. Door Jezus. Thomas weet zich ineens door Jezus gekend tot in z’n diepste twijfels en vragen.
Want de Here Jezus blijkt daar alles vanaf te weten. Wat Thomas in z’n meest cynische momenten toevertrouwd heeft aan een paar medeleerlingen – ‘Als ik het niet met eigen ogen zie…’ daar komt de Here Jezus nu openlijk op terug.

Dat geeft voor Thomas de doorslag. Het besef dat Jezus alles van Hem afweet. En nu speciaal langsgekomen is om ook hem erbij te betrekken. En nou het mooie: dat doet Jezus nog steeds. Meestal niet bij je thuis. Maar hier op zondag in de kerk.
Weer op zondag. Net als bij Thomas. Dan verschijnt Hij hier in de kerk in het gewaad van Zijn Woord met de kracht van Zijn Geest. En dan tikt Hij hier ook regelmatig broers en zussen op hun schouder. ‘Wees niet langer ongelovig maar geloof.’

-

Zo laat Jezus nog steeds merken dat het geen fabeltje is dat Hij is opgestaan. Maar dat Hij inderdaad de levende Heer is die alle macht heeft in hemel en op aarde. Zo helpt Hij ook nu nog mensen over hun angsten en twijfel heen. Hier in de kerk.
Twijfel aan Jezus. Het is iets van alle tijden. Maar je hoeft je er niet door gevangen te laten houden. Er zijn goede redenen om te geloven. Straks bij de uitgang krijgt u een boekje mee waarin ik mijn redenen om te geloven op een rij heb gezet.

Maar belangrijker nog: onze Heer leeft. Hij wil zichzelf aan je kenbaar maken. En als je niet thuisblijft maar komt - hier op zondag, doordeweeks misschien, overal waar Jezus’ leerlingen ook nu nog bij elkaar komen - dan kom je Hem tegen.
Vroeg of laat legt Hij zijn hand dan op jouw leven. En zegt Hij tegen je: ‘Wees niet langer ongelovig. Maar geloof! Want al zie je me niet, Ik ben er toch. En gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven!’.


Preek 2 – Twijfel aan jezelf

‘De elf leerlingen gingen naar Galilea naar de berg die Jezus hun had genoemd, en toen ze Hem zagen bewezen ze hem eer, maar sommigen twijfelden.’ Zo staat het er letterlijk. Niet: ‘al twijfelden enkelen nog’. Maar: ‘maar sommigen twijfelden.’
Broers en zussen, waar twijfelen die discipelen nou aan als ze Jezus dan op de berg ontmoeten? Dat kan moeilijk aan Jezus zelf zijn, of Hij wel werkelijk opgestaan is. Als ze daar nog aan twijfelden, hadden ze heel die reis naar Galilea niet gemaakt.

Jezus had gezegd dat Hij hen daar zou ontmoeten. Hij had daar met hen afgesproken. En als Hij dan verschijnt, is dat dus niet onverwacht. Ze wisten dat ze Hem konden verwachten. Ze kunnen dus moeilijk aan Jezus zelf getwijfeld hebben.
Maar waar twijfelen ze dan wel aan? Als je Jezus met eigen ogen kunnen zien, daar op de berg waar Hij al zo vaak eerder met hen geweest was. Waarom staat er dan toch: ‘En toen ze Hem zagen, bewezen ze Hem eer maar sommigen twijfelden.’


Waar twijfelen ze aan? Wel, de discipelen twijfelen waarschijnlijk aan zichzelf. En de Bijbeluitleggers denken daarbij in twee richtingen. Het kan zijn dat de discipelen aan zichzelf twijfelen om het verleden. Wat er de afgelopen weken gebeurd was.
Judas, één van hen, had de Meester verraden. Petrus, de leider nog wel van de discipelengroep, had Jezus verloochend, openlijk gezegd dat hij Hem niet kende. En allemaal hadden ze Jezus op dat beslissende moment in de steek gelaten.

Tijdens die eerste verschijningen in Jeruzalem had de Here Jezus daar verder niks meer over gezegd. Maar misschien juist daarom wel – omdat de Here Jezus er verder niks meer over gezegd had - bleef het de discipelen bezig houden.
Was alles dan echt weer helemaal goed tussen hen en de Meester? Nu zij het er zo lelijk bij hadden laten zitten? Kon je dan zomaar de draad oppakken alsof er niets veranderd was? Voelt u: twijfel aan zichzelf om wat er in ‘t verleden gebeurd was.

-

En zo komen die discipelen vanmorgen opeens ook heel dichtbij. Want laten we eerlijk zijn. Speelt dat vaak ook bij ons niet een rol - achter al die discussies die we soms over het geloof kunnen voeren - dat de twijfel ten diepste ergens anders zit?
Dat onze twijfel ten diepste niet rationeel maar veel meer existentieel is? Dat we ons eigenlijk gewoon niet meer zo bij Jezus en Zijn Woord op ons gemak voelen, omdat we diep van binnen voelen: ‘Dat kan ik allemaal niet waarmaken. Ik ken mezelf.’

‘Toen en toen, toen heb ik het er toch lelijk bij laten zitten. Dat pastte eigenlijk helemaal niet bij een volgeling van Jezus Christus. En hoe zit het dan ten diepste tussen Hem en mij? Zit het echt wel goed? Ben ik wel echt een volgeling van Hem?
Broers en zussen, wij hebben het daar niet zo vaak meer over in de kerk – over dat soort thema’s – ‘de toe-eigening van het heil’ noemt men dit klassiek – maar onder alle moderne luchtigheid is die onzekerheid nog steeds springlevend. Ook bij ons.


En vaak komt die onzekerheid opeens naar boven als het geloof even heel dichtbij komt. Als iemand op de man af vraagt wat het geloof voor je betekent. Je voor de keuze staat om al dan niet belijdenis te gaan doen. Of het ambt te aanvaarden.
 Dan opeens komt die vraag in al z’n heftigheid naar boven. ‘Ja, hoe zit het nu eigenlijk tussen mij en de Meester? Ben ik werkelijk al een volgeling van Hem geworden? Betekent het geloof in Hem als de opgestane Heer wel zoveel in mijn leven?

Voelt u, die elf discipelen daar op die Berg in Galilea, een aangevochten clubje, Judas is er niet meer bij, Petrus zijn Meester verloochend, zij allemaal Jezus in de steek gelaten, dat zijn wij gewoon! Als we eerlijk naar binnen kijken zijn wij dat.
En nou vind ik het zo mooi dat dat gewoon eerlijk in de Bijbel beschreven staat. Even eerlijk als in dat verhaal van Ongelovige Thomas. Niet alleen de twijfel aan Jezus. Maar ook de twijfel aan onszelf. Dat wordt allemaal eerlijk beschreven.

-

Nog even kort – broers en zussen – je kunt die twijfel van de discipelen aan zichzelf ook nog anders uitleggen. Niet zozeer vanuit het verleden. Maar meer gericht op de toekomst. Want er staat dan: ‘Toen ze Hem zagen, bewezen ze Hem eer.’
Dat betekent heel letterlijk: ze knielden voor Jezus neer. Ze aanbaden Hem als God. Maar dat was voor joodse mensen uit die tijd een enorme stap. Als je altijd zo opgevoed bent dat je alleen voor God in de hemel mag knielen en Hem aanbidden.

En moest dat nu in het vervolg van ook voor Jezus? Was Hij dan inderdaad zelf ook God? En wat betekende dat dan precies voor de relatie met Hem? Hoe moest je die relatie dan vorm geven? En kan ik dat dan allemaal wel? Weet ik hoe dat moet?
Dat gaat dus eigenlijk over de onzekerheid richting de toekomst: ‘Hoe moet dat dan, die relatie met Jezus als de Opgestane Heer. Wat betekent dat dan precies? Hoe moet ik dat praktisch vormgeven? ‘Ze aanbaden Hem maar sommigen twijfelden.’


En ook zo komen de discipelen heel dichtbij. Want dat kan toch ook de twijfel zijn die ons overvalt als we denken aan het volgen van Jezus. ‘Ik wil het ten diepste wel. Maar hoe moet het dan? Kan ik dat ook? En kan ik dat ook blijven waarmaken?’
Voelt u, ook als je het zo leest, zijn wij eigenlijk die wijfelende discipelen daar op die berg in Galilea. We geloven wel dat Jezus is opgestaan. Maar wij zelf zijn op één of andere manier nog niet zover dat we daarin helemaal in mee kunnen.

En nou is het zo mooi, broers en zussen, hoe de Here Jezus daar op reageert! Op dat twijfelende groepje discipelen daar voor zich. Dat is zo mooi. Want dat gaat dus ook over ons. Zo kijkt de Here Jezus ook naar ons als wij twijfelen aan onszelf.
Let op, broers en zussen, let op! Want hier komt het! Hier komt het evangelie! Hier komt het goede nieuws van Jezus Christus voor twijfelende mensen toen en nu! Want wat lezen we vervolgens in dit korte Bijbelgedeelte? Wat staat er?

-

Er staat heel eenvoudig dit: ‘Jezus kwam op hen toe…’ Zomaar een zinnetje. Maar er wordt zoveel in gezegd. Jezus kwam naar hen toe. Jezus komt naast hen staan. Jezus komt naast jou staan. Alsof Hij zeggen. ‘Je hoeft het niet alleen te dragen.’
‘Je hoeft het niet alleen te dragen. Die twijfel aan jezelf. Aan je verleden. Of je het wel voldoende waargemaakt hebt. Of aan de toekomst. Of je het allemaal wel waar zult kunnen maken. Die twijfel, die angst om te falen hoef je niet alleen te dragen.’

‘Ik wil die met jou dragen. Kom bij Mij als je moe en belast bent. Misschien wel vooral moe van jezelf. Kom bij Mij. Want Ik ben nederig van hart. En je zult rust vinden voor je ziel. Want ik wil jou dragen. Ik wil je door al die twijfels heendragen.’
En dan, eigenlijk nog mooier, broers en zussen, dan haalt de Here Jezus hun aandacht – van die discipelen - en onze aandacht weg bij onszelf en richt Hij die op Hem. Want Hij zegt: ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde.’ (2x)


‘Kijk niet teveel naar jezelf. Want je hoeft het niet van jezelf te hebben. Je mag leven uit Mij en uit wat Ik voor jou gedaan hebt. Kijk naar Mij. Want Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde. Ik heb alles, werkelijk alles wat jij nodig hebt.’
‘Alles wat jij nodig hebt om een volgeling van Mij te kunnen zijn, heb Ik. En Ik schenk het je door de kracht van Mijn Geest. Ik geef je dat nieuwe leven wat je jezelf niet geven kan. En zo mag je nu op weg gaan. In dienst van Mijn Koninkrijk.’

‘En hou dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen tot aan de voltooiing van deze wereld.’ Zo gaat de Here Jezus om met deze wijfelende leerlingen. Hij staat er eigenlijk helemaal niet zo uitgebreid bij stil, bij al die twijfels waar zij last van hebben.
Hij zegt eigenlijk maar één ding: ‘Ik ben er. Ik ben er. En dat is genoeg.’ En dan mooi, broers en zussen, en ook niet helemaal onbelangrijk, dan zeggen de discipelen verder niks meer. Het evangelie van Matteüs eindigt hier met Jezus’ woorden.

-

En dat vinden wij nou vaak moeilijk. Want wij, moderne mensen uit de 21e eeuw, wij zouden zo weer een dozijn nieuwe vragen paraat hebben of een eigen mening. ‘Ja, maar Meester, hoe zit dit dan? En dat gaat ons nooit lukken.’
Maar dit Bijbelverhaal zegt ons vanmorgen: ‘Niet doen. Niet direkt weer beginnen te malen. Maar wees nou eens stil. En laat dit – wat de Meester net gezegd heeft - nou eens even echt tot je doordringen. Hij is er. En dat is genoeg. Ook voor jou.’

Amen.