LogoHG

1e PREEK

Ik hoor sommigen van u denken: fraai is dat, kom ik naar een vier-de-zondag en wat krijgen we te zingen en te lezen: uit diepten van ellende…
Tja, zo kan het gaan: dat je in de kerk of in de Bijbel (althans op het eerste gezicht) iets anders krijgt voorgeschoteld dan je misschien verwacht of zoekt. Maar laten we niet te snel conclusies trekken. Soms moeten we ons ook even inleven in de setting van een Bijbelgedeelte.


Vanmorgen lazen we Psalm 130: een pelgrimslied (NBV) of een bedevaartslied (NBG51). We hebben ons als het ware even aangesloten bij de bedevaartsgangers uit het oude Israel. We trekken een eindje op met de stoet van pelgrims. De pelgrims, overal vandaan, die optrekken naar Jeruzalem, de stad van de tempel. Jeruzalem, de stad van God.
En onderweg daar naartoe zingen ze liederen. Bedevaartsliederen. Letterlijk: liederen van de opgang (songs of ascent). Liederen die de pelgrims zongen als ze opgingen naar Jeruzalem. En dat mogen we heel letterlijk nemen: ze gingen op, ze gingen omhoog, ze klommen naar boven, richting Jeruzalem. Jeruzalem was immers hoog gelegen: op een berg, de berg Sion. Wie in Jeruzalem wilde komen, moest opgaan, opklimmen, opstijgen: van laag naar hoog, vanuit het dal de berg op, vanuit de diepte de hoogte in. En wij klimmen vanmorgen een stukje mee, al luisterend naar een van hun liederen: Psalm 130.

“Een lied uit de diepte”  hebben de vertalers erboven gezet. Immers, de pelgrim roept uit de diepten tot God. Hij is blijkbaar nog maar net begonnen aan zijn klim richting Jeruzalem: hij is nog in de diepte, hij zit nog in het dal, hij moet nog een eind omhoog. Of … zou de pelgrim ook nog iets anders bedoelen met die diepten? Ik denk het wel. Hij loopt niet alleen in het dal, maar hij ervaart ook dat zijn leven in een dal zit. Hij heeft het moeilijk. Hij zit in de nood. En uit die nood roept hij tot God: “uit de diepten roep ik tot U, HERE, hoor naar mijn stem, laten uw oren mijn luide smekingen horen”.

Ja, zo kan het ook zijn in ons leven: dat we in de put raken door wat ons overkomt, door allerlei nare ervaringen en omstandigheden: het verlies van een geliefde, het tobben met je gezondheid, de ouderdom die komt met gebreken, de problemen in je gezin of familie, de zorgen om jezelf of om anderen, je liefde die onbeantwoord blijft, gepest worden, geen vrienden of vriendinnen hebben, eenzaam zijn, allerlei pijn, moeite en verdriet …
Dan kunnen we ons voelen als de psalmist: in de diepten. Maar dan kunnen we ook een vóórbeeld nemen aan die psalmist: uit de diepten roepen tot God, tot de God die hoort. Hem aanroepen uit de nood van ons leven, onze toevlucht bij Hem zoeken. God nodigt ons daar zelf toe uit. Hij zegt immers: “Roep Mij aan ten dage der benauwdheid; Ik zal u redden en u zult Mij eren” (Psalm 50:15)

De psalmist is dus aan het goede adres. Hij komt met zijn nood tot de levende God. Maar dan gebeurt er iets bijzonders: het is alsof de psalmist opeens beseft dat dat niet zomaar gaat. Hij kan niet zomaar tot God komen. Er is iets wat hem van God scheidt, iets waardoor hij eigenlijk niet voor God kan verschijnen. Hij realiseert zich opeens wat zijn grootste nood is: zijn ongerechtigheden. “Als U, HERE, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Here, wie zal bestaan?”  Wie kan staande blijven in het oordeel van God, als Hij rekening houdt met al onze zonden? Niemand. Geen mens… God is immers heilig en Hij haat de zonde, Hij toornt erover met een heilige woede!

De psalmist legt de vinger op de zere plek: onze grootste nood zijn onze zonden en ongerechtigheden. Alles waarmee we ingaan of zijn ingegaan tegen Gods wil en Zijn bedoelingen. Alles waarin we Hem ongehoorzaam zijn en waren. Dat is onze diepste nood. Dat is ons grootste probleem. Niet zozeer onze slechte gezondheid, niet zozeer ons verdriet, onze zorgen, onze eenzaamheid en onze pijn, hoe erg die ook kunnen zijn, maar onze ongerechtigheden! Die maken namelijk scheiding tussen ons en God. Die vervreemden ons van de levende God. Die brengen ons uiteindelijk zelfs onder Gods toorn, zegt de Bijbel.

Maar…. God zij dank is er een maar. De psalmist gaat namelijk verder. Hij stopt niet bij onze ongerechtigheden en de gevolgen daarvan, maar hij vervolgt. Luister maar: “Als U, HERE, de zonden blijft gedenken, Here, wie houdt dan stand?”  Maar … bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt”. Opdat men U eert met ontzag.
Bij God is vergeving. God zij dank: bij Hem is vergeving. Ja, bij Hem is veel verlossing, zegt de dichter verderop. Daarom roept hij de gelovigen op om op de HERE te hopen. Daarom verlangt Hij zelf zeer sterk naar de HERE, want hij weet: “de HERE zélf zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden.”
Herkennen wij dat diepe verlangen? Dat verlangen naar God zelf. Dat reikhalzend uitzien naar Hem en zijn verlossing. De Psalmist nodigt ons als het ware uit om te groeien in dat verlangen, om onszelf daarin te oefenen. En misschien dat (vreemd genoeg) de diepten van ons leven ons daarbij kunnen helpen: om te groeien in verlangen. Dan kan zelfs een crisis een kans worden: een kans om actief de Heer te verwachten en onze hoop op Hem te stellen.

Want God zélf zal zijn volk verlossen van alle ongerechtigheden. Dat is het geheim van het evangelie. Dat is tegelijk ook de kern van de blijde boodschap: dat wat wij zelf niet kunnen, doet God voor ons. Wij kunnen onszelf niet verlossen, maar God zélf doet dat voor ons. Hij verlost ons van ongerechtigheden én de gevolgen daarvan: God redt, God verlost.
Ooit werd er een babytje geboren die zo heette: God redt, God verlost. In opdracht van de engel moest Hij zó heten: Jehoshua / Jezus. Dat betekent: God redt, God verlost. Want Hij, zei de engel, Híj is het die zijn volk zal redden van hun zonden. Zo is God (in de Here Jezus)  zèlf zijn volk komen verlossen van alle ongerechtigheden. Jezus is dus de diepste vervulling van dat laatste vers van Psalm 130.

En dat is heel goed nieuws. Dat is met recht een blijde boodschap. Om het met Johannes te zeggen: Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe (Joh. 3:16). Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; maar wie aan de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem (Joh. 3:36). Dat is het evangelie: wij mogen onze hoop vestigen op Jezus Christus, wij mogen ons vertrouwen op Hém stellen. Wie dat doet, zal behouden worden, ondanks al zijn ongerechtigheden!  

Bent u/jij zo iemand? Iemand die zijn vertrouwen stelt op Jezus. Iemand die het weet en belijdt: uit mezelf ben ik een verloren zondaar, maar tegelijkertijd mag ik geloven: Jezus heeft mij van mijn zonden verlost, door in mijn plaats Gods oordeel daarover te dragen.
Als u zo iemand bent, dan bent u zalig. Dan bent u te feliciteren. Dan weet u: bij God is veel vergeving. Dan kunnen we met Paulus zeggen: in Christus hebben wij de verlossing, (dat is) de vergeving der zonden (Coll. 1:13).

O zeker, dan kan er nog veel nood zijn in ons leven, dan kan het leven nog zwaar zijn, dan zijn er misschien nog tranen, dan is er nog dood, rouw, geklaag en moeite, maar toch…de diepste nood is dan weggenomen: God heeft u daar in Jezus van verlost! Wie vertrouwt op Jezus, mag zich verzoend weten met God en mag Zijn kind zijn! Wie vertrouwt op Jezus, heeft een gouden toekomst voor zich: het eeuwige leven in Gods vernieuwde schepping. Daar zullen alle dingen nieuw zijn. Daar zal God alle tranen van onze ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn dan voorbijgegaan.  

Voor iemand die dat uitzicht heeft, wordt dit leven (met al zijn moeiten) een pelgrimsreis. Dan bent u net als de pelgrims die Psalm 130 zongen: onderweg naar Jeruzalem, vanuit de diepten van dít leven omhoog, naar het nieuwe Jeruzalem ná dit leven.
Ja, dát mag ons leven zijn: een pelgrimsreis. Vaak geen gemakkelijke reis, maar die heeft God ons ook niet beloofd. Wat Hij wel beloofd heeft, is een behouden aankomst… Voor allen die hun vertrouwen op de Here Jezus hebben gesteld. Voor hen is er genade, oneindig groot. Daar gaan we nu ook over zingen.

2e PREEK

Ik kan me zomaar voorstellen dat er in die eerste overdenking allerlei elementen zaten, waar u moeite mee had. Dingen die u misschien wel tenenkrommend hebt aangehoord. Het ging immers (naast allerlei positieve dingen) ook over onze zonden en ongerechtigheden, over Gods toorn en oordeel, over de mogelijkheid om verloren te gaan, al dat soort ‘zware’ thema’s. Dat sluit toch niet meer aan bij het moderne levensgevoel? Moeten we het dáár nou over hebben? Is dat niet veel te hard en confronterend, zeker op een vier-de-zondag? Dat schrikt eventuele gasten toch alleen maar af? Het evangelie is toch goed nieuws en een blijde boodschap? Waarom dan toch die zware dingen benoemen?

Dat zijn goede vragen. Ik hoor die vragen ook in mijn eigen hoofd, als ik de dienst voorbereid. Ik weet dat die thema’s gevoelig kunnen liggen en vervreemdend kunnen werken. En toch benoem ik ze. Waarom? Niet om mensen op de tenen te staan of om barrières op te werpen. Nee, de enige reden dat ik het doe is, omdat de Bijbel het ook doet, zeer regelmatig. En als voorganger moet ik toch primair proberen recht te doen aan het Woord van God, aan wat de Bijbel zegt. Het zou toch raar zijn, als u van mij iets anders te horen krijgt dan bij de profeten, de apostelen en bij Jezus zelf. Ook zij kunnen heel confronterend zijn, niet zozeer om ons af te schrijven of in de put te praten, maar om ons eerlijk in de spiegel te laten kijken en een andere weg te wijzen. Juist vanuit liefde!

Kijk, de Bijbel vertelt ons eigenlijk twee dingen die állebei waar zijn:
-    Dat we van nature slechter en meer van God vervreemd zijn dan we denken.
        Dat is de eerlijke diagnose in het licht van Gods zuiverheid en heiligheid.
-    En tegelijk ook: dat we meer geliefd zijn door God dan we ooit durven dromen.
        Dat is het goede nieuws: en daarom is er die reddende remedie die God ons         in Jezus aanbiedt.
Dat laatste (dat goede nieuws) mag het zwaarst wegen, maar… wordt dus wel altijd vooraf gegaan door het slechte nieuws van onze verloren uitgangspositie.

Een voorbeeld (een soort moderne gelijkenis of beeldspraak) om dat duidelijk te maken.
De Bijbel (of eigenlijk God) is als een zeer bekwame arts die een eerlijke diagnose stelt. Maar u weet, zo’n eerlijke diagnose kan heel hard aankomen en enorm confronterend zijn, zeker als er iets fundamenteel mis is met je gezondheid. Dan wordt die eerlijke diagnose een zware diagnose. Een ongewenste diagnose ook: je zou liever iets anders horen, iets positievers, iets waar je blijer van werd.
En toch: een goede diagnose is wél de eerste stap op weg naar een mogelijk herstel. Als je weet wat er mis is, dan is er misschien nog een medicijn beschikbaar om de kwaal te genezen. Zonder eerlijke diagnose zou die kwaal misschien niet eens aan het licht komen (of pas veel te laat) en zou je misschien ook nooit naar een medicijn vragen of dat gaan innemen.
Zo is het met onze geestelijke gezondheid ook: God stelt een hele eerlijke, maar ook confronterende diagnose, opdat we inzien dat we écht iets mankeren en een medicijn (met bijpassende andere levensstijl) nodig hebben, anders gaan we ten onder aan onze kwaal.

Ik hoef het niet uit te leggen: onze kwaal is het virus van de zonde, waar ieder van ons (of je dat nu wilt of niet) mee besmet is. Dat virus is kwaadaardig en maakt dat we ten dode zijn opgeschreven. In principe hebben wij mensen geen medicijn tegen dat zondevirus: dat medicijn is namelijk onbetaalbaar, niemand kan het zich veroorloven, hoe rijk je ook bent.
De enige die dat medicijn kan leveren is God, maar daar moest Hij wel een torenhoge prijs voor betalen. Dat heeft Hij gedaan, uit liefde voor ons. Je ziet: onze God is niet een kille dokter die klinisch een diagnose stelt, maar een zeer bewogen arts die zelf voorziet in een onbetaalbaar medicijn: vergeving dankzij zijn zoon Jezus.
En dat medicijn wil Hij dolgraag kwijt aan ons mensen. Het is beschikbaar voor iedereen die dat wil. Wie erom vraagt, krijgt het gratis en voor niks. God maakt ook op allerlei manieren reclame voor dat levensreddende medicijn, omdat Hij ons het léven wil geven. Dat is toch geweldig goed nieuws?!?
Maar wat blijkt? Veel mensen willen dat medicijn niet. Ze weigeren het. Waarom? Omdat de diagnose hen niet aanspreekt. Ze vinden de diagnose te hard en te confronterend. Ze horen liever een positievere diagnose over zichzelf.
En omdat de diagnose van de dokter hen niet aan staat, wijzen ze niet alleen de dokter (en zijn goede bedoelingen) af, maar weigeren ze ook zijn medicijn. Of ze willen dat de dokter alleen maar positieve diagnoses stelt.

Dat is wat je vaak ziet gebeuren, zowel binnen de kerk (bij ‘kerkmensen’) als in evangelisatiewerk (bij ‘ongelovigen’): mensen weigeren hun verloren uitgangspositie onder ogen te zien. Ze kunnen niet leven met een ‘zware’ (maar ware) diagnose en weigeren daarom ook het medicijn wat hen kan redden (of ze weigeren hun levensstijl aan te passen).
De gevolgen zijn ingrijpend. Gods medicijn werkt namelijk alleen voor wie het aanneemt en ‘inneemt’. Maar wie denkt het medicijn niet nodig te hebben (omdat de kwaal wel meevalt en de diagnose van de dokter veel te negatief is), moet zelf de consequenties dragen.

Anders gezegd: God wíl ons graag vergeven en redden, maar alleen wie erkent dat hij vergeving en redding nodig heeft, zal erom vragen en het krijgen.
De liefde van God is niet dat hij iedereen zomaar en automatisch vergeeft, ook als mensen er niet om vragen of geen berouw hebben. Nee, zijn liefde is dat hij vergeving heeft mógelijk heeft gemaakt voor wie daarom vraagt. Voor de nederige, de ‘ellendige’, de mens die erkent dat hij geestelijk failliet is en helemaal van Gods goede genade afhankelijk is. Mensen zoals de dichter van Psalm 130…
Vanuit onze beeldspraak gezegd: ‘genezing’ is beschikbaar, maar alleen voor wie erkent dat hij ernstig ziek is en om het medicijn vraagt. De diagnose negeren en het medicijn weigeren, dat zou dwaas zijn.

Om die dwaasheid te voorkomen stel ik vanmorgen de vraag, weliswaar met schroom:  
Als in de Bijbel of in de kerk een zware (ongewenste) diagnose over ons wordt gesteld, kunnen we daar dan mee leven? Stellen we ons daarvoor open? Zijn we bereid ons te laten overtuigen door de grote arts van onze ziel? Staan we God en zijn Woord toe om zijn licht op ons leven te laten vallen, zodat we ontdekt worden aan wat niet naar zijn wil is?
Niet dat dat altijd even fijn is, maar het is wel heilzaam.
Misschien helpt het ons om te kijken waaróm God zo’n diagnose stelt: altijd om ons af te helpen van onze kwaal. Hij geeft immers mét de diagnose ook het medicijn. Gods diagnoses zijn altijd gericht op herstel en vernieuwing, nooit om ons te ontmoedigen.

Laten we ze daarom beide in geloof aannemen: zowel Gods diagnose als Gods medicijn.
Als je dat doet, zul je leven! Amen.